De gemeente verdient beter

 

Inleiding.


Het moet de eerste woensdag in november 1997 geweest zijn.
Op de Dankdag voor Gewas en Arbeid.
Als organist speelde ik altijd op die dag, ‘s middags, een kinderdienst in Veenendaal. Een stampvolle kerk met ouders en kinderen die in een, voor kinderen aangepaste, kerkdienst onze God willen danken voor alle gaven van het afgelopen jaar.
Maar op die datum zat ik niet in het huis des Heren.
Ik zat ergens op de negende verdieping van het W.C. van Unnik - gebouw - ook wel met Trans 2 aangeduid - op de Uithof te Utrecht.
Die middag geen orgelspel, maar een tentamen exegese Oud Testament.
Niet achter de klavieren, maar tegenover de ietwat guitige blik van
prof. dr. B. Becking.
Uit de voorbereide Bijbelse hoofdstukken mocht ik er zelf een kiezen.
Ik antwoordde, dat ik, wetende dat het Dankdag was, Psalm 66 dan maar wilde nemen.
Die Psalm is een danklied van Israël na de bevrijding uit de ballingschap.
De professor aanschouwde mij een ogenblik glimlachend.
" O, is het vandaag Dankdag?", vroeg hij.
Na mijn bevestigende antwoord voegde ik er aan toe dat ik mij normaliter in een stampvolle kerk zou bevinden.
Dit verbaasde hem.
Een volle kerk op Dankdag en dan ook nog grotendeels gevuld met kinderen?
Iets unieks!
We praatten er wat over door en voordat ik het wist discussieerde ik met de hoogleraar over de kwaliteit van de kerkdiensten in die hoek van de kerk waar ik ‘s zondags placht en nu placht aanwezig te zijn, een Hervormde (inmiddels wat vage) Gereformeerde Bonds-gemeente op de Veluwe, thans P.K.N.
Toen reeds deelde ik met hem mijn zorgen als het gaat over onze kerkdiensten en niet in de laatste plaats over de prediking.
Zijn reactie vergeet ik nimmer:

"De gemeente verdient beter, Bert."

Graag had ik er met deze expert op het gebied van het Oude Testament eens een uurtje over door gebabbeld, maar de wijze man zag zich genoodzaakt het gesprek in de richting van Psalm 66 te sturen, om tot een fatsoenlijk tentamencijfer te kunnen komen.

Reeds een lange tijd houdt deze zaak mij bezig. Om ons heen, ook in het kerkse dorp waartoe ik behoor, zien we een sterk teruglopend bezoekersaantal tijdens de zondagse erediensten. Was deze leegloop 40 jaar geleden slechts zichtbaar in de grote steden, het komt nu angstig dichtbij.
Als kind al was ik een kritisch luisteraar in de kerkbank en stak die kritiek thuis en elders niet onder stoelen of banken. Zo herinner ik mij, ik was 11 jaar, een preek op een Startzondag waar ik alles behalve gelukkig mee was, waarop ik de extra guldens, die vader ons had gegeven voor de Jeugdwerkcollecte, in de passerende zak voor de diaconie deponeerde. Toen ik thuis deze daad van protest vertelde, werd mij dat niet in dank afgenomen.
We zijn thans enige decennia verder.
Vrijwel iedere zondag keer ik - hoe betreurenswaardig acht ik deze conclusie - van een koude kerkmis thuis.
In gesprekken met medebroeders -en zusters komt het steeds frequenter ter sprake.
Herhaaldelijk en in toenemende mate hoor je in de gemeente, in je familie- en vriendenkring, de conclusies na de zondag:

Saai.
Simpel.
Droog.
Langdradig.
Herhalend.
Weinig nieuws.

Hoofdschuddend verlaat menigeen op zondag de kerk. Twee keer en steeds vaker één keer. Anderen blijven inmiddels thuis. Een bezoekend ouderling aan huis vertelde me zelfs graag een snipperdag op de zondag te hebben.

Soms komen er, wanneer je over deze dingen nadenkt, gevoelens van teleurstelling, moedeloosheid, verbitterdheid en boosheid bij.

Vanuit die gesteldheid is het eenvoudig om zonder tact van alles en nog wat te roepen en de dingen, zonder tot een goede beeldvorming te zijn gekomen, te beoordelen.
Het is bijzonder gemakkelijk om vanaf de zijlijn ongezouten kritiek over onze kerken, gemeentes en hun voorgangers heen te werpen.
Dit mag en kan dé en ook míjn bedoeling niet zijn.

Soms is het goed om bepaalde gedachten van je af te schrijven. Om, al schrijvend, voor jezelf en wellicht voor anderen, duidelijk te krijgen wat er gaande is en wat er zou moeten/kunnen gebeuren/veranderen.
Dat wil ik de komende tijd gaan doen en deze, dikwijls losse, overwegingen op mijn website plaatsen. Daarbij wil ik mijzelf niet onder de druk plaatsen dit met een vaste regelmaat te doen. De ene periode in het dagelijkse leven is nou eenmaal drukker dan de andere en ik wil mijzelf bijvoorbeeld niet verplichten tot een nieuw hoofdstuk iedere week of maand. Mocht het geschrevene u boeien, dan zou ik de site regelmatig in de gaten houden. Mocht het vragen of opmerkingen oproepen, dan zijn reacties te allen tijde welkom! Graag zelfs!

Dit schrijven zie ik slechts als het luiden van klokken, die naast de klank van de beierende klokken van de zondag een fris en positief kritisch geluid laten horen dat ons misschien eens kan wakker schudden uit de winterslaap waarin onze kerken zich lijken te bevinden.

Zie het niet als een wetenschappelijk, (praktisch) theologisch betoog.
Zie het slechts als een verwoording van de gedachten die mij en anderen bezig houden.
Zie het als een open brief naar onze kerken - deze discussie beperkt zich niet slechts tot de P.K.N.- en naar mijzelf persoonlijk.

De toon in mijn betoog kan zo nu en dan alles behalve mild zijn.
Dit niet om als hoogmoedige stuurman aan wal te kwetsen en woorden onnodig hard kracht bij te zetten, maar om het gesprek, dat hopelijk ontstaat of verder gaat, scherp te houden.
Graag wil ik meedenken, meediscussiëren met de kudde die, zo lijkt het, veelvuldig murmureert, meer dan voorheen.
In gesprek met hun herders, met hun leraars.
In dialoog met de herdershonden en dus met de schapen zelf die - wellicht had de professor inderdaad gelijk -
beter verdienen.

Steekt Gods loftrompet alom op aarde,
zing tot eer van zijn naam majesteitelijk!

(Psalm 66, Willibrordvertaling 1972)

B.J. Rebergen
Januari 2009

 

Hoofdstukken
Aan het begin van mijn schrijven heb ik getracht een 
voorlopige hoofdstukkenindeling te maken waarbij niet uitgesloten is dat deze indeling 
tijdens het schrijven zal worden aangepast. Naarmate deze serie gedachten groeit, zullen
de verschillende hoofdstukken en paragrafen in dit overzicht voorzien worden van
bladwijzers zodat u met een muisklik het gewenste deel kunt vinden en lezen. Eventuele 
vragen of reacties hoop ik in het laatste hoofdstuk te behandelen.
1.	Typering van de eredienst in de 21e eeuw
	a.	Algemeen
	b.	Liturgie: De soberheid voorbij 
	c.	Kerkmuziek
	d.	Lees de Bijbel, bid elke dag...
	e.	Meer dan één dienst
	f.	Kerkelijk Jaar
	g.	Sacramenten
	h.	Prediking
	i. 	De kerk online
	j.	Overige zaken: Bloemengroet, Paaskaars, Mededelingen, Collecten.
	k. 	Samenvattend
2.	Typering van de christelijke gemeente in de 21e eeuw
	a.	Algemeen
	b.	Rol van de gemeenteleden
	c.	Rol van het kerkbestuur
	d.	De predikant:				- beroep en roeping
							- herder en/of leraar
							- opleiding
	e.	Kerk tussen kerken. 
3.	Ideeën en suggesties voor de toekomst van de eredienst
	a.	Voor wie?
	b.	Willen we eredienst?
	c.	Het Woord centraal: 			- communicatie
							- studie
							- evenwichtige verkondiging
4. 	Ideeën en suggesties voor de toekomst van de gemeente
	a.	Toegankelijkheid in geslotenheid
	b.	Rolverdeling en hiërarchie
	c.	De predikant:				- schaap met vijf poten?
							- kwetsbaarheid
							- gewenste competenties
5. 	Knelpunten:
	a.	Hindernissen
	b.	De drie f's
	c.	Op de barricade! 
6. 	De gemeente verdient beter...Hoe verder?
7. 	Samenvatting, conclusies, reacties. 
 

1. Typering van de eredienst in de 21e eeuw

a. Algemeen

Met onze rijk geschakeerde kerkelijke kaart is het niet eenvoudig om een algemeen beeld te geven van de erediensten in de 21e eeuw in ons land. Het is daarom goed een begrenzing aan te brengen en wel zo dat ik slechts een voorstelling schets van het type kerk dat mij vertrouwd of bekend is. Daarbij beperk ik mij reeds direct tot de Protestante kerken al zullen Romeins katholieke broeders en zusters wellicht ook tot een AH-Erlebnis komen.
Binnen onze protestantse kerk bestaat er eveneens variatie genoeg, maar heel veel hierna te noemen vlaggen zullen de lading redelijk dekken. Vieringen zoals deze worden gehouden in de charismatische / evangelische groepen zijn mij vrij onbekend en houd ik daarom buiten beschouwing.

Gesloten

Zonder opzettelijk met een negatief kenmerk te willen beginnen, moet ik concluderen dat onze erediensten een nogal gesloten karakter dragen. Onze kerkgebouwen zijn dikwijls voorzien van bordjes met aanvangstijden en de plaatselijke krant geeft in veel dorpen en steden een keurig overzicht van de te houden diensten, maar deze informatie nodigt de niet alledaagse kerkbezoeker niet gelijk uit om eens langs te komen op zondag.
Tevens gaan na aanvang van de dienst veel kerken dicht. Helaas is deze afsluiting van de kerk soms bitter noodzakelijk om verstoring van buitenaf te voorkomen, maar aan de andere kant valt het te betreuren dat toevallige bezoekers voor een gesloten deur komen te staan.
Op dit vlak herinner ik mij twee fraaie voorvallen:
In de kerk waar ik als kind kerkte verscheen ooit eens tijdens de preek een Surinaams gezin in de kerk. Blijkbaar was de hoofdingang nog open! In indrukwekkende Afrikaanse kleding liepen vader, moeder en kind naar voren en namen daar plaats. De predikant staakte zijn preek en het werd onaangenaam stil in de kerk. Geen verwelkoming kwam uit de mond van de gespannen voorganger. Haperend vervolgde hij zijn preek. Na afloop werd het gezin gelukkig wel opgevangen in de consistorie. De zondag erop zaten ze er weer, daarna zagen we ze nooit meer.
In Genemuiden was de zomerse temperatuur ver boven de dertig graden Celsius uitgekomen en werd besloten een grote buitendeur open te laten. Halverwege de dienst verschenen twee toeristen in zomers tenue. Met enige aarzeling bezag het binnengewandelde stel de rijk gevulde kerk. Lang werd hun aanwezigheid niet geduld. De koster duwde ze fijntjes naar buiten. Het begrip ‘Open Deur Dienst' wordt blijkbaar verschillend uitgelegd.

Om de gastvrijheid voor de dienst wat te vergroten worden soms ouderlingen of gemeenteleden bij de ingang geplaatst die u bij binnenkomst hartelijk begroeten en, indien nodig, een gedrukte liturgie of liedboek in de hand stoppen. De functie van deze dorpelwachters is mij nooit geheel duidelijk geworden. Ze doen me soms denken aan de typetjes ( de praatjesmakers ) van Van Kooten en De Bie die in de winkelstraat iedereen begroeten met : "Goede dag. Alles goed? Thuis ook alles goed? Prettige dag verder!"

In veel kerken gaan kerkenraadsleden nog in het zwart en of ik als vreemdeling en bijwoner veel meer vrijmoedigheid om binnen te treden zal ontvangen wanneer ik twee heren in het zwart gekleed tegen het lijf loop, vraag ik mij af. Waarom in sommige kerken dit werk slechts wordt overgelaten aan kerkenraadsleden is mij niet geheel duidelijk.
In Groningen werd ik als gast zelfs begroet door een heel koppel mensen waarvan een jonge dame mij een liedboek in de handen stopte. Toen zij even later naast mij plaatsnam, moest ze met het schaamrood op de kaken tot de conclusie komen dat ze voor zichzelf een liedboek vergeten was. Men kan de naaste ook méér liefhebben dan zichzelf. Zo'n compleet ontvangstcomité kwam bijna bedreigend over. Daarbij schoot mij tevens de gedachte "Je kunt ook overdrijven." door het hoofd. O.a. in Katwijk schijnt men u soms nog bij de ingang met een collectezak of open schaal te begroeten. "Wilt u wel even betalen?"
De drempels van onze kerken zijn en blijven vaak aan de hoge kant. Het blijft uiteraard de vraag wat de kerken zelf willen. In een later hoofdstuk wil ik hier iets langer bij stil staan en de vraag stellen: "Voor wie is de eredienst ?"
Over het algemeen blijken de diensten bezocht te worden door eigen gemeenteleden en hebben onze erediensten een gesloten karakter. Onze kerkgebouwen gunnen omstanders toch al weinig gelegenheid om naar binnen te kijken, maar het is de vraag of een glazen kerk, zoals we ze op televisie ‘s zondags kunnen zien, werkelijk meer openheid biedt.
Dankzij het internet is er de afgelopen jaren wel meer openheid ontstaan.
Kerken zijn meestal huiverig geweest voor de openbaarheid van hun erediensten. Een select gezelschap kon via de kerktelefoon - thans kerkradio - de diensten thuis volgen. Die groep mocht niet te groot worden, want de bezoekers zouden dan al te gemakkelijk thuis blijven. Nadat kerkdiensten ook op lokale radiozenders te volgen waren (daarbij nog zwijgend over diensten op de nationale radio en televisie) bood het internet nog meer openheid. Vanuit honderden kerken is thans op zondag de eredienst live te volgen, in geluid en soms in beeld. Op een later tijdstip kan dit ook en veel diensten zijn te downloaden dus later terug te zien of te horen. Dat steeds meer kerken hun diensten zo aan de openbaarheid durven toe te vertrouwen, juich ik toe. Ja, de kans bestaat dat men dan liever, met een kop koffie in de hand, vanuit de luie stoel de dienst wenst te volgen, maar het is dan te kort door de bocht om de online bezoeker van luiheid of gemakzucht te betichten. De kerken zelf moeten zich achter de oren blijven krabben, zich telkens afvragend waarom de belangstellenden het fauteuil boven de kerkbanken verkiezen. Wat ik vooral wil bejubelen is de kwetsbaarheid die de kerk met haar internetdiensten aandurft. Na de betrekkelijke geslotenheid van de afgelopen decennia gunt de kerk een ieder een kijkje in haar eigen keuken.
Nu maar hopen dat de gevolgde dienst de virtuele bezoeker wel zal bekomen en dat het naar meer smaakt!

Een ogenschijnlijk onbelangrijk feit is de gesloten kerk op doordeweekse dagen. Veel Romeins Katholieke kerken hebben de deuren overdag open. Vanuit de drukke winkelstraten kan een bezoeker even binnenglippen voor, zoals in de Papegaai in de Amsterdamse Kalverstraat, een ‘kwartier voor God'. Het is spijtig dat vrijwel alle Protestante kerken de boel op slot houden. Tijdens een Open Monumentendag maakt men een uitzondering, maar voor de rest van het jaar dienst men op de zondag te wachten. Zou de openstelling van kerken doordeweeks geen verlaging van de drempels voor de zondagse eredienst bieden?
Waarom dan wel dicht?
Angst voor vernielingen?
Gebrek aan vrijwilligers die overdag aanwezig willen zijn?
Waarom zijn al die Roomse kerken dan gewoon open en loop ik in de Grote Bavo van Haarlem wel gastvrouwen en gastheren tegen het lijf? Aldaar laten ze u een klein bedrag betalen om binnen te komen. Op die wijze blijven raddraaiers weg en weet men vrijwel zeker dat de bezoeker werkelijk voor het Godshuis en haar schoonheid en rust komt.
Zeker, ik heb anderzijds moeite met het vragen van entreegeld aan kerkbezoekers. Wellicht zijn er andere oplossingen waarbij men het huis des Heren gratis en probleemloos bezoeken kan. Zelfs in de grootste kathedralen van Europa loopt men voor niets naar binnen en van die steden kan men niet zeggen dat er slechts lieverdjes wonen of rondwandelen.
In onze jachtige tijd zou het zo goed zijn wanneer de kerk haar deuren wijd open kan zetten en in dat geval wil ik verruiming van de openingstijden van harte aanmoedigen. Vanuit de 24-uurs stress even, al is het maar 15 minuten, rust, een moment voor zichzelf voor het aangezicht van Hem die ons de ware rust geven kan, op welke dag dan ook!

 

b. Liturgie

Binnen de Protestantse kerken wordt uiteenlopend gedacht over de liturgie. In extremo zijn er die bij ‘liturgie' slechts denken aan het opgevouwen en geniete briefje dat aan het begin van een kerkdienst wordt uitgereikt, terwijl er ook mensen zijn die de liturgie zeer hoge waarde willen toekennen. Voor de een is liturgie de algemeen gebruikelijke gang van zaken in de kerkdienst, voor de ander is het een duidelijk omschreven en welbewust gekozen ceremonie welke niet gemist kan en mag worden in de kerkdienst.
Het is wel grappig te weten dat ‘liturgie' vroeger een soort belasting was. Rijkere Griekse burgers betaalden een bedrag voor een publiek goed. Zo kon het gebeuren dat een zangkoor betaald werd middels liturgieën om een uitvoering naar behoren te laten verlopen.
Het zal cantorijen en andere kerkelijke musici als muziek in de oren klinken.
Binnen de christelijke context kreeg het meer iets van een plechtigheid. Voor de een is deze solemniteit een groot goed, voor de ander hoort het er eenvoudigweg bij.

De soberheid voorbij

Wie als protestant wel eens een mis bij onze Romeins katholieke broeders en zusters heeft meegemaakt weet onmiddellijk dat er na de Reformatie een snoeimes is gezet in de liturgie. Ook onze Roomse broeders en zusters hebben, veel later, met dit snoeimes te maken gehad. Alleen in kerken waar de beperkingen van het Vaticanum II (Tijdens dit concilie, dat werd gehouden van 1962 tot 1965, werd gepoogd een modernisering van kerk en liturgie tot stand te brengen) niet slaafs zijn opgevolgd maken we een dienst mee waarin liturgie iets hoogs, iets heiligs lijkt te zijn.

In Protestantse kerken is na de Reformatie een duidelijke versobering opgetreden. Niet alle beroemde Reformatoren spraken eensluidend over deze aanpassingen. Deze verschillende visies vind je nu nog terug in de verschillende Protestantse kerken in ons land. De grote nadruk op een visuele liturgie met een centrale plaats voor de eucharistie maakte overwegend plaats voor het "Sola Scriptura", al zie je de afgelopen decennia binnen de Protestantse kerken weer een soort weg terug waarbij Woordverkondiging niet als het summum van de eredienst wordt gezien.

Na het Vaticanum II werd in de Romeins Katholieke kerk het nodige gemopper waargenomen. Men had zich gehecht aan deze uiterlijke vormen, aan de Latijnse mis en alles wat daarmee samenhing en men wilde dat niet kwijt.
Het doet me denken aan een gesprek tussen Michel van der Plas en Godfried Bomans, later op schrift gesteld door Godfried Bomans in het aardige boekje "In de kou". Bomans zegt dan tegen Van der Plas dat hij niet zo goed raad weet met de modernisering van zijn kerk. Aan de ene kant weet hij dat de hele ‘santenkraam' uit zijn jeugd een hoop uiterlijk vertoon betekende, aan de andere kant denkt hij er met weemoed aan terug. Zijn, toen nog jonge, dochter Eva zou dit alles nu moeten missen, terwijl Bomans anderzijds blij is dat deze opvoering van riten uit de kerk is verdwenen.

In de Protestantse kerk was die soberheid al lang ingetreden. Geen poespas. Gods woord dient verkondigd te worden en het ritueel er omheen dient naar de achtergrond geschoven te worden.
Elders in "In de kou" merkt Bomans op dat hij de modernisering van de kerk nauwlettend in de gaten houdt. Hij ziet de opkomst van de, toen vermaarde, beatmis en het zingen van Engelstalige gospels. Bomans vraagt zich af of die verandering niet een verlangen is naar vroeger. Het door velen onvatbare Latijn wordt nu vervangen door het Engels. Juist het bijna niet of gedeeltelijk begrijpen van een andere taal dan de moedertaal geeft de liturgie voor velen een extra dimensie.

Ook binnen de Protestantse kerken zie je de afgelopen decennia een groeiende moeite met de soberheid van de kerkdiensten, als het gaat om de liturgie.
In evangeliegemeenten werd al snel voor een sterk veramerikaniseerd liedrepertoire gekozen, terwijl veel kerkelijke gemeenten een herwaardering voor de liturgie meemaakten.
Plots werden termen gebruikt die we kenden uit de Roomse mis. Er kwam plaats voor een kyrie, een gloria en de inzameling der gaven werd omgetoverd tot dienst der offeranden of offertorium. Ondanks het gebruik van deze termen, bleef de liturgie betrekkelijk eenvoudig en niet al te opwindend.
Hoe je het ook wendt of keert, binnen de Protestantse Kerken is een verlangen naar verandering waarneembaar. De soberheid voorbij! Het vaste stramien moet worden doorbroken.

Velen zullen in een tijd opgegroeid zijn waarin de eredienst als volgt werd ingedeeld:

-Votum en groet
-Zang
-Lezing van Decaloog / Belijdenis met de woorden van het Apostolicum
-Zang
-Gebed/ Schriftlezing (Soms in omgekeerde volgorde want God zou eerst aan het Woord moeten komen alvorens te bidden.)
-Zang met collecte
-Preek (soms met tussenzang)
-Zang
-Dankgebed
-Zang
-Zegen

Kleine variaties binnen dit stramien zullen er vast en zeker geweest zijn, maar velen zullen het herkennen.
Veranderingen werden niet of nauwelijks gedoogd.
Tientallen jaren verder werd een en ander toegestaan.
Er kwam zang voor de dienst of na de dienst van andere liederen dan de oud berijmde psalmen of de ‘Eenige Gezangen' achterin het psalmboek.
De bekende professor C. Graafland waagde het er in Veenendaal destijds (eind jaren ‘60 van de vorige eeuw) op om met Kerst het ‘Ere zij God' te zingen na de zegen. Tijdens het voorspel van de organist verdween de kerkenraad in de consistorie en tijdens de samenzang kwam de sigarenrook de kerk al in. Men was blijkbaar niet gediend van die ‘moderne fratsen'.


Het gebed kreeg een vaste plaats voor de Schriftlezing (Gebed om de opening van het Woord en de verlichting door Gods Geest) al bleven er predikanten kiezen voor de oude volgorde. Bidden om een geopend woord met de Bijbel open op de kansel achtte men zinloos. Later hoop ik daarop terug te komen.
De collecte verhuisde na de preek en werd soms een aparte dienst der offeranden. Het dankgebed werd tevens een moment van voorbede.
De preek werd tot verkondiging of meditatie omgetoverd en de tussenzang verdween omdat de prediking beduidend korter werd dan voorheen. In mijn vroege jeugd kwam de tussenzang - de preek werd in twee stukken geknipt waarbij de gemeente tussendoor even op adem kon komen en er een psalm werd gezongen- een enkele keer voor. Wanneer deze tussenzang op een onverwacht moment kwam waarbij de gemeente vurig op het ‘amen' had gehoopt, speelde onze toenmalige organist nog wel eens als voorspel "Komt laat ons voortgaan kinderen, want de avond is nabij." !
Er waren predikanten in mijn jeugd die binnen deze sobere indeling alsnog het snoeimes zetten en twee maal samenzang schrapten. Tijdens deze diensten werd dan maar drie keer gezongen en kon er naar hartelust gepreekt worden. De legendarische predikant Jac. van Dijk was een van die dominees die dit vrijwel altijd deed. Diens prediking leverde evenwel zoveel vervangend ‘vertier' op dat deze weglating met graagte werd geduld.

Over een afwijkende invulling van ochtend- en middag/avonddiensten in een volgend hoofdstuk (Meer dan één dienst) meer.


In sommige kerken snel en in behoudender hoek wat trager werd dit vaste patroon doorbroken.
Veel positief effect hebben die veranderingen niet gehad. Soms liep men te hard van stapel, maar de belangrijkste oorzaak zit ‘m, vrees ik, in de onwetendheid van kerkenraden en de leden der gemeente. Dit bedoel ik niet denigrerend, maar ik moet dit toch vaststellen. Velen in de kerk hebben weinig benul van de verschillende onderdelen der liturgie.

Alleen al de functie van ‘Votum en Groet' is een hoop mensen niet bekend. Een enkele keer vraag ik me zelfs af of predikanten helemaal beseffen waar het bij Votum en Groet om gaat. Zo maakte een predikant er laatst nog een gebed van door het Votum te beginnen met: "God, onze hulp en verwachting
zijn van U... " Jaren geleden hoorde ik ook zo'n gebedsvariant van het Votum: "Onze, hulp en onze verwachting, Here, zijn van U..." Ik meende toch echt dat het Votum vooral een uitspreken is van het vertrouwen op God door de gemeente bij monde van de voorganger. Wanneer oude vormen, zoals een Kyrie en een Gloria, nieuw leven worden ingeblazen, maar de beminde gelovigen hebben geen flauw benul wat het behelst, dan kun je reacties verwachten als : "Het moet ineens allemaal zo modern of Rooms." Het is verre van Rooms, maar de werkelijke waarde van deze onderdelen van de liturgie zijn niet bekend.
Vroeger speelde bij het vieren van het Heilig Avondmaal het ‘Sursum Corda' een niet onbeduidende rol. Dit moment is thans nogal vervaagd door een enkele zin in het formulier waarin het verheffen van de harten tot God wordt genoemd. Voor velen is "Sursum Corda" thans niet veel meer dan de naam van de plaatselijke zangvereniging of blaaskapel. Wanneer men zo'n onderdeel van het Heilig Avondmaal opnieuw leven zou willen inblazen is (hernieuwde) uitleg van zo'n moment onvermijdelijk.
Deze onwetendheid gaat gepaard, zoals zo vaak, met emotie. Men ziet deze tot verkwikking bedoelde variaties als onaangename bedreigingen van het vertrouwde gevoel dat men al van kindsbeen had. Bij het invoeren van een ander liedrepertoire is menige kerkenraad tegen dat probleem aangelopen.
Daarover later (Kerkmuziek en Kerklied) meer.

Anderzijds is in veel kerken de indeling van de eredienst bijkans tot iets heiligs uitgeroepen. Dat heeft vaak met de ideeën van de plaatselijke predikant te maken. De een heeft gevoel voor liturgie en kerkmuziek, de ander heeft er soms weinig kaas van gegeten. De een zoekt snel even iets bij de preek en de ander ziet de liturgie als dé kapstok waaraan hij of zij de dienst wil ophangen.

Of men zich nu conservatief opstelt, of vooruit durft te kijken, of men nu losjes wenst om te gaan met liturgie, of men prefereert een vaste structuur, men houdt in beide gevallen, dat mag ik toch hopen, het meest wezenlijke voor ogen:
De kerkdienst moet en zal éredienst blijven.
Dit is, mij dunkt, zeer prijzenswaardig!
Er mag qua invulling verschillend over worden nagedacht, men wil een waardige en waardevolle viering waarbij God de eer ontvangt die Hem toekomt! In de vele discussies die er over liturgie en kerkdienst bestaan, mogen we dat niet uit het oog verliezen en kan er misschien (meer) wederzijds respect ontstaan.

Binnen alle discussies over liturgie en kerkdienst speelde en speelt kerkmuziek en het kerklied een niet onbeduidende rol. Daarover hieronder meer:

c. Kerkmuziek en kerklied

 

In het vorige hoofdstuk constateerde ik reeds dat we in onze Protestantse kerken van een betrekkelijk sobere eredienst opgeschoven zijn naar een eredienst waarin meer kan en mag. Volstonden predikanten vroeger dikwijls met het zingen van drie psalmen, nu is er ruimte voor meer.

Des te strenger een gemeente, des te bescheidener lijkt de liturgie. Daar kunnen we niet om heen. Kerkmuziek speelt in deze gemeenten een rol in de marge. Bij rouwdiensten wordt muziek soms niet eens geduld.

Een aantal ontwikkelingen bij de meer ‘rekkelijken' noemde ik hiervoor, maar zweeg daarbij met opzet als het om kerkmuziek en het kerklied gaat. Dit onderdeel verdient afzonderlijke aandacht om dat variaties in de verschillende kerkdienst-vormen vaak hiermee te maken hebben.

Kerkmuziek

We hebben tijden gekend dat zelfs een orgel niet welkom was in de kerk, maar in de meeste Protestantse kerken vinden we in ieder geval de koningin der instrumenten. Sommige gemeenten zijn gezegend met een heerlijk pijporgel, anderen kozen, soms met begrijpelijke argumenten, voor een elektronisch alternatief dat ooit door een organist werd aangeduid met "Jakobs stem en Ezaus handen." Binnen de orgelwereld en binnen veel kerken levert deze keuze een hoop gedoe op, maar ik wil in dit schrijven deze, op zich interessante, discussie met rust laten.

In sommige gemeenten krijgt het orgel de aandacht die het verdient, in andere gemeenten laat men het op z'n beloop en ziet de organist meesmuilend hoe het instrument verwaarloosd wordt. Er zijn nogal wat kerken waarin de communicatie tussen organist en kerkrentmeesters stroef verloopt. Reparaties, stembeurten, aanpassingen en vernieuwingen zijn praktisch onmogelijk of worden telkens op de lange baan geschoven. Gelukkig zijn er ook kerken waar de organist maar even aan de bel hoeft te trekken en de noodzakelijke opknapbeurt of verandering kan worden uitgevoerd. Veel kerkrentmeesters geven grif toe geen verstand van het instrument te hebben, maar durven de zorg voor het orgel niet aan de kenner bij uitstek, de organist over te laten. In vrijwel alle gevallen is de angst voor hoge kosten de oorzaak van deze onnodige voorzichtigheid. Dat uitstel van goede opknapbeurten later extra kosten brengt, beseffen maar weinig kerkrentmeesters. Hoeveel organisten hoorden liever: "Als jij vindt, dat dit noodzakelijk is, dan neem jij contact op met de orgelbouwer en horen wij wel wat er gebeuren gaat."

Een enkele keer besluit een gemeente tot aanschaf van een nieuw instrument. Met de huidige leegloop van kerken zie je dit steeds minder vaak. Ook hier zie je dat nieuwbouw meer plaatsvindt in de behoudende hoek van de kerk. Bij geldgebrek kiest men soms voor een tweedehands instrument of voor een elektronisch alternatief.

Het orgel speelde en speelt een bepalende rol in onze kerkdiensten. In veel kerken verzorgt de organist muziek voor en na de kerkdienst, begeleidt hij of zij de samenzang, de cantorij of het koor en zijn andere muzikale opvullingen soms gewenst.

Wie enig verstand van orgelmuziek heeft en tijdens vakanties andere kerken bezoekt schrikt dikwijls van de speelkwaliteit. Een organist verzuchtte ooit: "Je bent soms al blij als ze Johannes Worp (een beroemde psalmvoorspelen-bundel met de psalmen in (niet-) ritmische zetting) een beetje fatsoenlijk kunnen spelen. Het vinden van goede organisten blijkt steeds lastiger te worden. In behoudende gemeentes staan er meestal wel een hoop jonge kandidaten te wachten op een fel begeerde en niet gemakkelijke afgestane plek op de orgelbank, maar in de minder behoudende hoek is het vaak behelpen en zoeken. In kleinere Rooms Katholieke kerken in het Zuiden van ons land zwijgt het orgel regelmatig omdat geen bespeler gevonden kon worden.

Het orgel geraakt in veel kerken steeds meer op achtergrond. Of vanwege het gebrek aan organisten of omdat het instrument niet meer aan de eisen van deze tijd zou voldoen. Dat kan technische oorzaken hebben: het orgel is in een dermate belabberde staat dat bespelen zinloos geworden is of het instrument en de muziek die het voortbrengt wordt niet meer naar waarde geschat. Men vindt het instrument of het orgelspel ouderwets of saai en men streeft naar modernisering.

De afnemende waardering van orgelspel blijkt nog niet eens zo sterk in de dienst als wel ervoor en erna. Menig organist moet grote moeite doen om voor de dienst tijdens het introïtus het kabaal beneden te overstemmen. De laatste zieken, echtscheidingen en andere nieuwtjes worden graag op zondagmorgen voor de dienst besproken. Deze ‘sociale' functie van de gemeente wordt dikwijls voortgezet tijdens de dienst der offeranden en komt tijdens het uitgaan tot een afronding. Sommige organisten gaan daarom luider spelen, maar krijgen al snel de klacht te horen dat het te hard was en dat men elkaar in de kerk niet kon verstaan. Er zijn ook talloze organisten die hun spel voor de dienst danig hebben ingekort en het beperken tot enkele minuten. Ik hoorde ook verhalen van gemeentes die een cd draaien vooraf. Met alle herrie in de kerk is het zeker zinvol zich af te vragen of het orgelspel vooraf en tijdens collectes enig nut dient. Ook overkomt het organisten regelmatig dat zij tijdens hun spel voor de dienst wreed en zonder waarschuwing worden onderbroken door een koster of kerkenraadslid die door de microfoon de laatste ‘verkeersinformatie' verstrekt. Er staan auto's fout geparkeerd of de met lampen aan en men wordt bij druk bezochte diensten verzocht een eindje op te schikken. Het is blijkbaar geen enkel punt om dwars door een (voorbereid) stuk orgelmuziek heen te praten. Wanneer de organist dit andersom zou doen tijdens de later volgende preek zou iedereen verontwaardigd zijn. Of er enig verschil bestaat tussen beide voorvallen is een discussie waard.

Wie als organist de pech heeft met een orgel beneden in de kerk, dus op de begane grond, krijgt vooraf met goed bedoelde schouderklopjes te maken van passerende gemeenteleden. Er zijn er die een praatje maken en het gebeurt regelmatig dat deze organisten na afloop van de dienst bijna van de orgelbank worden afgeduwd door haastig passerende gemeenteleden die de koffie ruiken. Ook dan zijn er die na afloop weer een vrolijk praatje gaan maken of de organist een hart onder riem steken. Zou er een fluitist of andere solist hebben gestaan dan deed niemand z'n mond open.
Zonder de zielenpiet te willen uithangen - ik behoor ook tot het leger van kerkmusici - moet me van het hart dat organisten dikwijls een belabberde positie in de kerk innemen. Er zijn gelukkig voldoende goede voorbeelden, maar daarvoor moet je meestal naar het buitenland. De stilte in die kerken voor een eredienst of mis is opmerkelijk. Dat geldt niet alleen voor de grote kathedralen waarin iedereen anoniem lijkt te zijn. Je treft dit ook aan in kleine dorpskerkjes waar slechts het orgel vooraf klinkt en de gemeente luistert. Een voorganger roept de gemeente dikwijls op te blijven zitten na afloop om de fuga te beluisteren die hoort bij het preludium dat voor de dienst werd gespeeld. Soms tref je in Nederland ook een muzikaal bewuste voorganger die liefdevol de aandacht van de gemeente vestigt op de te spelen muziek van de organist. Goede communicatie tussen organist en voorganger is een groot goed! Wanneer een voorganger gevoel voor liturgie en kerkmuziek heeft, kan dit in de praktijk tot prachtige resultaten leiden in en rond de kerkdienst.

Natuurlijk speelt de kwaliteit van het orgelspel eveneens een bepalende rol. Zoals ik reeds opmerkte laat dit in de nodige kerken te wensen over. Het is lastig om onder woorden te brengen wanneer een organist goed is. Niet alleen technische kwaliteiten spelen daarin een rol maar ook subjectieve op- en aanmerkingen.
Een technisch begaafd speler kan worden afgerekend op zijn muziekkeuze en een knoeiende beginneling kan worden geprezen om zijn vermogen aan te sluiten op het gesproken woord. Men kan boeken vol schrijven over onze organisten hetgeen in dit schrijven teveel papier zou gaan kosten. Laat ik mij beperken tot een poging de verschillende typen organisten onder een paraplu te plaatsen, zonder er een generaliserend waardeoordeel over te vellen. De volgorde die ik hanteer is puur willekeurig.

A. Er zijn de preciezen. Ze bereiden een dienst (zeer) goed voor en laten (vrijwel) niets aan het toeval over. Ieder voorspel is vooraf bekend en ook de aanvullende muziek rond en tijdens de kerkdienst is van tevoren bepaald. Deze organisten bezitten meestal weinig vermogen tot improvisatie en houden zich bij hun harmonisaties graag aan de kerktoonsoorten (waarvan we de namen in de oude psalmboeken nog steeds boven het eerste vers zien staan: Frygisch, Dorisch etc....). Hun spel is door de bank genomen verzorgd. Soms neigt men tot te lange voorspelen.

B. Er zijn de zwoegers. Het zijn meestal wat oudere organisten die net in staat zijn de te zingen liederen te begeleiden. Voor de dienst klinkt soms een potpourri aan liederen of een eindeloze herhaling van de zelfde melodie met een nogal beperkte registratievariatie. Literatuur of goed doordachte kerkmuziek is op hun lessenaar niet te vinden. Meestal beperkt het zich tot een serie liedbundels. De begeleiding is vaak aan de trage kant en de gemeente zit, al zingend, op de volgende misser te wachten. Ik herinner me een voorval waarbij een dergelijke organist gebruik maakte van kopieën op de lessenaar. Toen tijdens de samenzang de blaadjes naar beneden wapperden zweeg het orgel onmiddellijk. Zonder orgel zong men door. De predikant zei na afloop niet zonder enig cynisme: "A capella heeft ook wel wat!" Technisch zijn deze organisten dus beperkt. Heel vaak spelen ze in eenvoudige toonsoorten met soms onmogelijke samenzang tot gevolg. Ik heb zelfs een organist gekend die zijn voorspel in een andere toonsoort speelde dan het te begeleiden lied. De inzet verraste de gemeente iedere keer weer en leverde hilarische momenten op.

C. De Zwart adept. Zonder dat ik de muziek van Jan Zwart en diens zonen en navolgers op een negatieve hoop wil gooien, zijn er die nog steeds in dat stramien zijn blijven steken. De ‘Zwart- dynastie' heeft een indrukwekkend stempel op de Nederlandse koraalkunst gezet. Er is helaas veel mee geknoeid en er wordt helaas veel mee gerommeld. Nog steeds wordt deze stijl, die vooral door Feike Asma en de zonen van Jan Zwart werd voortgezet, door velen gewaardeerd. Er bestaat wel het type organist dat niet verder kijkt dan deze stijlperiode. Men hoort op zondag uitsluitend werken van Zwart en Asma of daarop lijkende muziek. Deze organisten houden vaak van een meeslepende begeleiding die of de gemeente in beroering brengt of kromme tenen veroorzaakt. Een middengroep bestaat niet. Of men krijgt heerlijke rillingen van de oude samenzangopnamen uit Kampen met Willem Hendrik Zwart of men vraagt of dat ‘gehens' alstublieft uit mag.

D. De ‘improvisator' Wanneer een organist kan improviseren is dat een grote zegen. Er moet dan wel sprake zijn van improviseren. Improviseren wordt vaak ‘lukraak fantaseren' in een stijl die na een paar diensten volledig voorspelbaar geworden is. Vol trots toont de bespeler de lege lessenaar en hij fröbelt er vrolijk op los. Hij is wel in staat om gemakkelijk te ‘reageren' op het verkondigde woord. Daarmee raakt hij bij velen een gevoelige snaar. "Je kunt horen dat hij goed luistert naar de preek!" is een veel gehoorde reactie bij dit type organist. De een ervaart dit ‘antwoorden op de preek' (Jan Zwart werd de profeet op de orgelbank genoemd) inderdaad als iets positiefs, anderen vinden het allemaal wat te emotioneel geladen en kiezen voor de meer nuchtere aanpak.

E. De pedagoog. Natuurlijk weet de organist, als het goed is, iets meer van kerkmuziek dan het gemiddelde gemeentelid. De pedagoog legt echter maar al te graag zijn know how op aan de onwetenden in de kerkbanken. "Ze zullen het maar moeten leren!" is een gevleugelde uitspraak van deze organisten. Men moet zingen wat er staat en men moet slikken wat er wordt gespeeld, hoe ontoegankelijk de muziek ook is. Dergelijke organisten, die technisch gezien niks te klagen hebben, liggen vaak niet al te goed in de markt. Men heeft het niet op het ‘gejengel van die eigenwijze knurft', zoals ik ooit iemand hoorde zeggen.

F. De hoor mij-organist. Dit is de organist die graag zijn kunnen aan de gemeente laat horen. Het zijn meestal wat jongere organisten. Ze durven een stevig stuk literatuur te spelen voor de dienst, houden van een indrukwekkende uitsmijter na afloop en spelen te lange voorspelen waarin de vingers het liefst als een bezetene over de toetsen glijden. Ook tijdens de samenzang moet het orgel een opvallende rol spelen. Veel versieringen en vlotte loopjes moeten de aandacht van de gemeenteleden vast houden. De gemeente is vaak snel onder de indruk van deze toetsacrobaten voor wie ‘begeleiden' ondergeschikt is aan ‘presenteren'.

G. De toccata-organist. Deze organist is dol op de vlotte en vrolijke voorspelen en bewerkingen op muziek die de afgelopen decennia als zoete broodjes over de toonbank zijn gegaan. Het is lichte muziek die je, met Willem Vogel sprekend, soms in de Kalverstraat verwacht op ‘De Arabier'. Het heeft weinig meer met kerkmuziek te maken, maar meer met effectmuziek. Effect heeft het zeker en velen deinen vrolijk op de maat mee in de kerkbanken. Men kijkt graag instemmend achterom: "Die jongen kan er wat van!"prevelend. De tutti-klank van het orgel wordt niet geschuwd en ook de andere registraties munten niet uit door originaliteit. Ook de tremulant (geeft de tonen van het orgel een [opvallend] golvende, vibrerende klank) mag niet worden gemist en staat bij ieder voorspel wel even open, soms tot en met het volle werk.

H. De oude muziek-organist. Voor hem houdt de orgelliteratuur op zo aan het eind van de 18e eeuw. Daarna is men abuis geweest, vindt hij. De voorspelen en gekozen literatuur zijn uit de tijd of in de stijl van de barokperiode (of de tijd ervoor). Literatuur uit de Romantische periode wordt verfoeid en wat er in Nederland in de 20e eeuw aan ontwikkelingen zijn geweest wordt met argusogen bezien. Ook qua instrument stelt men hoge eisen. Uiteraard moet het orgel juist de mogelijkheden bezitten om de zojuist genoemde muziek ten beste te kunnen geven.

I. De net-niet organist. Het is de organist die best wat in z'n mars heeft en die je gerust een dienst kunt laten spelen maar de lat voor zichzelf net te hoog legt. Hij speelt net te moeilijke literatuur en probeert improviserend dingen uit die hem net boven de pet gaan. Gemeenteleden hebben dit meestal niet door, maar collega organisten krijgen juist bij die jongens kromme tenen of hun spel werkt op de lachspieren omdat het steeds net niet lukt. Deze organisten spelen ook vaak een bekend voorspel voor de helft. Voordat men onderaan de bladzijde is capituleert men en fantaseert de rest erbij. Deze organisten hebben in de meeste gevallen niet alleen op de orgelbank een iets te hoge dunk van hun kunnen.

Ik capituleer nu ook. Er zijn ongetwijfeld nog veel meer types te noemen, maar hier kunnen we voorlopig wel mee uit de voeten. Ik geef toe dat ik zo nu en dan, het bovenstaande schrijvende, een glimlach niet kon onderdrukken. Niet in de laatste plaats omdat ik ook de nodige (eigen)aardigheden bij mijzelf herkende. De ideale organist zal nooit worden gevonden. Tot welke categorie een organist ook behoort of welke kenmerken men ook herkennen zal, er zijn er velen die iedere keer weer met hart en ziel, vol toewijding een positieve bijdrage aan de kerkdienst willen leveren. Dat mogen we bij alle genoemde positieve en negatieve op- en aanmerkingen nooit vergeten.


Niet alleen het orgel speelt haar muzikale partij in kerkdiensten.
Veel kerken hebben een piano of vleugel die meestal wordt ingezet voor de begeleiding van liederen buiten een psalm- of kerkliedboek. Andere instrumenten (zowel voor klassieke als populaire muziek) betreden steeds vaker het kerkelijke ‘toneel' en complete bands worden niet zelden ingezet.

We mogen de cantor en de cantorij niet vergeten. De cantorij heeft vooral tot taak om de gemeente te ondersteunen in de gemeentezang. Nieuwe liederen worden met behulp van de cantorij aangeleerd. Soms is er sprake van een eigen individuele bijdrage. Helaas wordt dit nog wel eens als een optreden gezien. Daarbij verliezen we de dienende taak van de cantorij uit het oog.
Een goede cantorij kan ook een rol spelen samen instrumentalisten in een cantatedienst. Alleen al de cantates van J.S. Bach dienen zich uitstekend voor dergelijke diensten waarin de Woordverkondiging wat meer plaats maakt voor de muzikale verwoording van een Bijbelgedeelte. Nog steeds zijn er veel kerken die dergelijke hoogwaardige diensten verzorgen.

Dergelijke muziek trekt echter vrijwel uitsluitend oudere kerkbezoekers. Ik maak deze diensten nog wel eens mee en zie er helaas weinig jongeren. De vergrijzing stopt blijkbaar niet als men overgaat tot deze vorm van eredienst.
Steeds vaker proberen kerkelijke gemeentes jonge mensen te trekken met populaire muziek hetgeen ook resulteert in een modernere liedkeuze. Daarover in de volgende paragraaf meer.

In ieder geval is het te prijzen wanneer kerkmuziek een enerzijds eigen, gewaardeerde en begrepen plek inneemt in en rond onze kerkdiensten, waarbij de dienende taak van de muziek nooit uit het oog verloren mag worden. Kerkmuziek is als een goede basgitarist. Hij mag niet gemist worden en je hoort bijna niet dat hij meespeelt, maar zodra hem het zwijgen wordt opgelegd, wordt hij gemist!
Kerkmuziek zal en moet een bepalende rol blijven spelen.
Musica di Gloria!
Tot eer van Hem die zelf de adem schiep waarmee hij wordt geprezen! Blijf daarom musiceren, met stem en instrument! Maak wijd en zijd bekend de grote Naam des Heren! (Psalm 92, N.B.)

Het Kerklied

Hoezeer ook veel kerken het ‘Sola Scriptura’ hoog hebben en houden, de rol van het kerklied in de eredienst mag niet worden onderschat. Veel kerkelijke gemeentes zien het kerklied vooral als het loflied tot eer en meerdere glorie van de Eeuwige. “Er is niets zo goed als de lofprijzing van Hem!” is een graag gehoord statement.
Andere kerken beperken het zingen in de kerk niet tot deze, overigens prachtige, functie van het kerklied.  Liederen worden ook als gebed, troost, schuldbekentenis, meditatie of verootmoediging gezien. Liederen kunnen ook het antwoord vormen van de gemeente op wat vooraf ging in de liturgie.

Als we nadenken over de rol van het kerklied in onze kerken raken we tegelijkertijd een gevoelig onderwerp. Niet in de laatste plaats vanwege het nodige gekibbel en de zelfs ontstane scheuringen dankzij verschillende visies over de te kiezen liederen in de eredienst. Liederen hebben nou eenmaal met gevoel, traditie en emotie te maken.

Het lied kan in sommige gevallen beter dan het gesproken woord kenbaar maken wat een gelovig mens beweegt. In soms vruchteloze pogingen het Woord van God nieuw en fris aan de man te brengen zijn we blijkbaar beter in staat om de Heer een nieuw lied te zingen. Bundels komen en bundels gaan, maar stilstaan doet deze ontwikkeling nooit.
Juist omdat het kerklied ons in een zekere gebrekkigheid - de dingen goed  bij de naam te noemen - terzijde staat, neemt zij in iedere gemeente een belangrijke plaats in en terecht.

Hierboven noemde ik al een zekere matigheid in vroeger tijden, m.n. in rechtszinnige kringen, maar thans neemt het kerklied, ongeacht voor welke liederen gekozen wordt, een vooraanstaande plaats in.

We kunnen er niet omheen dat de liedkeuze vroeger en nu tot stevige discussies leidde en leidt.

Wanneer we de uitersten onder de loep nemen zien we gemeentes, in het bijzonder in Zeeland, waar uitsluitend de psalmberijming van Petrus Datheen (1531-1588) wordt gezongen (er bestaat een stichting [ http://www.petrusdatheenstichting.nl/ ] die deze berijming opnieuw onder de aandacht wil brengen) en er zijn gemeentes waarin het kerklied vrijwel geheel naar de achtergrond verdween en werd vervangen door liederen die we grotendeels terugvinden in de bundels Opwekking waarin we overwegend liederen uit de gospel-scene aantreffen.

Daar tussenin vinden we kerken die, al dan niet in combinatie, gebruik maken van de psalmberijming uit 1773, de gezangen uit de Hervormde Bundel van 1938, het Liedboek voor de Kerken uit 1973 en het thans nog in de maak zijnde nieuwe Liedboek voor de Kerken. In sommige gemeentes wordt nog gebruik gemaakt van de bundel “Johannes de Heer”. De Vrijgemaakte Kerken, Nederlands Gereformeerden, Christelijk Gereformeerden , de (Evangelisch) Luthersen en de leden van de Nederlandse Protestantenbond  hanteren dikwijls een eigen bundel of eigen berijmingen en veel kerken en gemeentes hebben zelf een bundel samengesteld met liederen uit verschillende andere liedbundels. De liederencyclus uit ‘Zingend Geloven’ (1981- heden)en die uit ‘Tussentijds’ worden in veel kerken gebruikt. Dat geldt ook voor de zangbundel van Youth for Christ, al bevat deze veelal liederen uit andere liedbundels. De ‘Psalmen voor nu’ (2003- heden)  genieten steeds meer populariteit. Uit de hierboven genoemde bundels ‘Opwekking’ (1960-heden) wordt door gemeentes van verschillende pluimage gezongen, in kerkdiensten en daarbuiten. Een keuze uit bovengenoemde bundels komt terug in de zangbundel ‘Op Toonhoogte’ die vooral populair is binnen de Gereformeerde Bond van de Hervormde Kerk.

Voor en met de kinderen van de gemeente wordt nog wel eens een kinderlied in of voor aanvang van de dienst gezongen.

Op de website www.kerklied.net vindt u nog meer liederenbundels.

Voor veel kerken en gemeentes staat één prioriteit bovenaan: Het kerklied moet getrouw zijn aan Gods Woord.

Een aanzienlijke groep kerken besloot zich dus te beperken tot het gebruik van de Psalmen omdat we deze onberijmd in de Bijbel aantreffen. Dichter bij de Schrift kun je volgens deze kerken niet zijn.
Vele eeuwen werd gezongen uit de berijming van 1773. De genoemde berijming van Petrus Datheen werd tot die tijd gebruikt. Minder bekend en minder gebruikt zijn de berijmingen van Jacobus Revius en Marnix van St. Aldegonde - de naaste hand van Willem van Oranje - die zeer waarschijnlijk ons volkslied schreef. In de nieuwe berijming van de Psalmen door Martinus Nijhoff (1968) kreeg de berijming van Marnix van St. Aldegonde her en der een herkansing.

Datheen schreef zijn berijming - een vertaling uit het Frans - in één jaar. Op zich een meesterwerk, maar dankzij dit vlotte vertaalwerk bleek de berijming her en der lastig te zingen. Het berijmen is regelmatig nogal gekunsteld gedaan en de relatie melodie-tekst is vaak ver te zoeken. Datheen maakte ook graag gebruik van stopwoordjes, maar die zien we in de berijming 1773 eveneens terugkomen. Alleen al het regelmatig verschijnen van het woordje ‘ai’ is velen bekend.

Ook al was de (staats)berijming van 1773 op veel punten een vooruitgang te noemen op die van Datheen, de overgang verliep - hoe kon het ook anders - niet zonder slag of stoot. Deze psalmenoproer kende haar oorzaak niet slechts in de verandering van de berijming , maar ook in het zangtempo. Het gelijknamige boek van Maarten ’t Hart vertelt tot welke spanningen dit in Maassluis leidde. Iedere kerkelijke gemeente die strijdt met de problemen van liturgievernieuwing zou eerst dit boek eens moeten lezen alvorens de wapenen ter hand te nemen.
Men placht in die tijd steeds trager te zingen en met de invoer van deze nieuwe berijming werd het zingen ritmisch. Dat de berijming van 1773 dus niet-ritmisch gezongen moet worden berust op een misverstand al bleven veel kerken dit wel doen tot op de dag van vandaag. Niet zelden wordt mij als organist gevraagd bij het spelen van een gastdienst of ik asjeblieft ‘gewoon’ wil spelen. Als ik - ietwat sceptisch - antwoord, dat ik dit altijd probeer te doen, kijkt men mij verbaasd aan. Dit ‘gewoon’ zingen wordt thans met niet-ritmisch aangeduid. Een enkele keer hoor je nog de term iso-ritmisch voorbijkomen. Of die muzikale vlag deze lading dekt, durf ik te betwijfelen. Een enkele hoor spreekt men ook van het zingen ‘op hele noten’. Geen half werk dus, als bedoelt men waarschijnlijk wel ‘halve noten’, want in die gevallen waar een hele noot vier tellen duurt, zal de gemeentezang bijna de grootste plek innemen in de eredienst.

Zowel de berijming van Datheen als die van 1773 kregen later een aanhangsel: De eenige Gezangen. Ook hier werd gepoogd letterlijke teksten uit de Bijbel te berijmen en van een melodie te voorzien. Deze gezangen mochten/mogen wel in de dienst, dat wil zeggen tussen ‘Votum en Groet’ en ‘Zegen’ , gezongen worden. Grappig is dat met Kerst het ‘Ere zij God’ niet tot deze ‘canon’ werd/wordt toegelaten, terwijl hier de ‘letterlijke’ Bijbeltekst gezongen wordt. Dat het zingen van dit lied na de zegen zelfs opschudding teweeg bracht, las u hierboven.

Na bijna 2 eeuwen werd de roep om een nieuwe Psalmberijming steeds duidelijker. Ook op de berijming van 1773 was de nodige kritiek te leveren:     

1. De invloed van de ‘Verlichting’ in de berijming wordt genoemd. De nadruk op een deugdzaam leven en God aanspreken met o.a.  ‘Opperwezen’ is kenmerkend voor die tijd.

2. De her en der matige poëzie. Met grote regelmaat zien we matige metriek- en rijm-oplossingen zoals het gebruik van het stopwoordje  ‘ai’ en de samentrekkingen ‘woên, en genegenheên’.

3. De nodige woorden bleken zo verouderd dat men niet meer weet wat men zingt. Al in de eerste Psalm weten velen niet meer wat ‘welzalig’ en ‘samenrotten’ betekent.

4. Ook in deze berijming is er weinig aandacht geweest voor de relatie tekst en melodie. Prachtige - zelfs komische - voorbeelden zijn: “De lofzang klimt...” en “Zingt vrolijk heft de stem naar boven.” in de Psalmen 65 en 33. 

Na het gebruik van voorlopers besloten veel kerken vanaf 1973 het Liedboek voor de Kerken te gaan gebruiken. Deze liedbundel kent naast de 150 Psalmen ook 491 liederen. De berijming van de Psalmen is vrijwel geheel nieuw al werd soms de berijming van 1773 letterlijk overgenomen. De ‘Eenige Gezangen’ kregen gedeeltelijk een plaats in de 491 liederen. Nog nooit was er een liedbundel die in zoveel kerken werd gebruikt. Ook de R.K. kerk dacht en deed mee met de totstandkoming van deze bundel. Dit is o.a. nog terug te zien in de liederen van Huub Oosterhuis.

Ook de invoering van dit Liedboek (LvdK) leverde de nodige weerstand op. Velen waren zo gehecht aan de Psalmen van 1773 dat deze vernieuwing hen vervreemdde van de berijming die hen zo na aan het hart lag. Het kleine verschil tussen ‘Geloofd zij God met diepst ontzag’ en ‘God zij geprezen met ontzag’ (Psalm 68) werd gezien als een onoverkomelijke verandering. Tevergeefs zochten de liefhebbers van de berijming van 1773 naar hun geliefde 10e vers van de 68e Psalm. “Het is er gewoon niet meer!”, hoorde ik ooit een bezorgd gemeentelid roepen op een gemeenteavond. De spreker die avond wees er de beste man op dat hij in de Nieuwe Berijming naar vers 7 moest kijken. Gerustgesteld nam de man weer plaats.

Het gebruik van liederen naast de Psalmen in de eredienst werd ook een reden om het liedboek (soms gekscherend ‘het rode boekje van Mao’ of het ‘liederlijke Liedboek’ genoemd) buiten de kerk te houden. Liederen die niet letterlijk in de Bijbel te vinden zijn, hoorden volgens deze kerkgenootschappen niet in de eredienst thuis.

Voorzichtige gemeentes besloten het eerst alleen bij de nieuw berijmde psalmen te laten. De gezangen uit de Hervormde bundel uit 1938 werden ongemoeid gelaten. Deze ‘tussenbundel’ was in de jaren zeventig populair in de nodige gemeentes. Velen herinneren zich vast nog de kleine gele paperback.
Nog voorzichtiger kerken(raden) maakten een kleine gekopieerde bundel met daarin een keuze uit de Nieuwe Psalmberijming. Veelal werden dan die psalmen gekozen die het meest leken op de versie van 1773.

De afgelopen decennia zie je wel dat deze behoudende aanpak wordt losgelaten. Eerst en vooral bij het zoeken naar liederen, aansluitend bij het Nieuwe Testament, blijft het prachtige Psalmen-boek in gebreke. Dit wordt soms ‘handig’ opgelost door bijvoorbeeld met Hemelvaart uit Psalm 47 te laten zingen: “God vaart voor het oog met gejuich omhoog!” Dat er hier sprake is van de ark die naar Jeruzalem wordt gebracht is velen niet bekend. Hoe Bijbelgetrouw men ook wil blijven, men slaat de plank dan toch mis.

Bij de beroemde geschiedenis van Paulus en Silas in de gevangenis te Filippi laten heel wat predikanten het vijfde vers van Psalm 42 (O.B.) zingen: “ ‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht!”  Helaas doet deze berijming geen recht aan de grondtekst waarin we niets vinden over lofprijzing in de nacht.
Graag ziet men de ‘komende koning’ in de Psalmen als de komende Jezus, terwijl er een aardse koning wordt bezongen. Het koppelen van Psalmen aan nieuwtestamentische verhalen komt ietwat gekunsteld over en doet geen recht aan deze prachtige liederen.

Ook nu nog bestaan er verschillende kampen binnen de kerk die strijden om ‘hun’ berijming. De een wil nieuw, de ander houdt het graag bij het oude vertrouwde.

Toen een Noors predikant Nederland bezocht was hij verrukt over het bestaan en ons gebruik van berijmde psalmen. Dat kende hij niet! Toen hij dit heugelijke feit meedeelde en aanprijs bij zijn eigen kerkenraad deelde men zijn enthousiasme niet. Men vond het maar nieuwlichterij! Men hield het liever bij de gezangen die men op zondag zong…

Het zingen van berijmde psalmen is overigens niet uniek voor Nederland. In reformatorische kerken in Oost-Europa kent men het ook, zo ook in de V.S. en in Canada. Toch zingen u en ik tijdens buitenlandse kerkdiensten vrijwel altijd gezangen. Soms heeft men enkele zinnen uit de psalmen van muziek voorzien en in Engelse kerken worden Psalmen (in de meeste gevallen de letterlijke Bijbeltekst) door het koor gezongen.

Uiteindelijk is er tot op de dag van vandaag een grote variëteit, ook binnen één kerkgenootschap, te bespeuren, als het om liedkeuze voor de eredienst gaat. Predikanten krijgen hele epistels van een gastgemeente thuis waarin hen wordt uitgelegd wat er te kiezen valt. Gelukkig zei de oude dominee Buskes vroeger al: Er mag in de kerk best verscheidenheid zijn, als het maar niet uitloopt op gescheidenheid.

In hoofdstuk 3b kom ik op veel zaken uitgebreider terug. Zo duik ik dan nog wat dieper in de sterk groeiende opkomst van liederen die hun oorsprong o.a. in de gospelmuziek kennen.  In dat zelfde hoofdstuk probeer ik ideeën ter tafel te brengen die wellicht het overwegen waard zijn om tot een verantwoorde keuze te komen.

 

1d    Lees de Bijbel, bid elke dag!

 

Lees de Bijbel…

 

In de meeste kerken ligt de enorme kanselbijbel nog pontificaal op de kansel of staat deze op een tafel ergens in het liturgisch centrum van de kerk.

Op de kansel mag deze Bijbel meestal gedegradeerd zijn tot onderzettertje, de Schrift neemt in de meeste protestante erediensten wel een centrale plaats in.

De verscheidenheid die er bestaat bij de liedkeuze (zie vorige paragraaf) binnen de verschillende kerken zien we terug bij het bepalen welke Bijbelvertaling men wenst te gebruiken.
Eeuwenlang werd gekozen voor de Statenvertaling uit 1637. Het is zeer bijzonder dat deze vertaling zo lang stand hield en stand houdt.
Voor die tijd was het, met de kennis van toen, dan ook een meesterwerk. Wanneer we de grondtekst, die door de huidige theologen als de meest authentieke wordt beschouwd - hoe moeilijk het ook blijft om tot  het vaststellen van de ‘beste’ grondtekst te komen - naast deze vertaling uit de 17e eeuw leggen, verrast het menige lezer iedere keer weer hoezeer deze vertaling de ‘grondtekst’ benadert.

De kans is groot dat een kanselbijbel ook een versie van deze Statenvertaling is.
Zeer zelden wordt de kanselbijbel nog gebruikt. Iemand vroeg me ooit of predikanten een aparte studie zouden hebben moeten volgen om die Bijbel te kunnen lezen.
Het oud-Nederlands zal voor de meesten, die de Statenvertaling in de kerkdienst gebruiken, de reden zijn om de enorme Bijbel ongemoeid te laten.

Uit waardering voor deze oude vertaling, zoals men deze vertaling ook wel noemt, heeft men, na wat kleine aanpassingen in 1977, in 2010 een herziening uitgebracht met begrijpelijker taal, maar die recht blijft doen aan de vertaling die in 1618, dankzij een opdracht van de Synode van Dordrecht, tot stand kwam.

Door o.a. de vele vondsten van andere en soms zeer bijzondere handschriften volgden er in de 20e eeuw nieuwere vertalingen. In 1951 verscheen de NBG vertaling. We vergeten vaak dat men al tijdens de Eerste Wereldoorlog aan deze vertaling begon die jarenlang bekend stond als de ‘Nieuwe Vertaling’. In 2004 werd de NBV-vertaling gepresenteerd en wordt in steeds meer kerken gebruikt.

Het kiezen van liederen voor de eredienst ligt in Protestant Nederland gevoelig en zo is het ook met het kiezen van een Bijbelvertaling.

Naast de ‘grote’ vertalingen die Nederland kent, worden ook andere vertalingen gebruikt. In de jaren 80 was de Groot Nieuws Bijbel een geliefde vertaling. Er was behoefte aan begrijpelijker taal. Ondanks het feit dat ‘Het Boek’ verscheen in 1992, werd er in 1996 toch een vernieuwde versie van de Groot Nieuws Bijbel uitgegeven.
‘Het Boek’ bleek juist populairder in de conservatievere hoek van de Protestante kerken, hoewel we bij ‘Het Boek’ amper van een vertaling kunnen spreken. Een oud docent van mij zei destijds: “Het is meer een vertelling dan een vertaling”.
Pieter Oussoren zette een knap staaltje werk neer door alleen voor een complete vertaling te zorgen. In 32 jaar was deze enorme klus, het maken van de ‘Naardense Bijbel’, klaar. Met nog meer waardering denk ik dan terug aan Maarten Luther die in z’n eentje het Nieuwe Testament vertaalde op de Wartburg in 11 weken!
J.H. Voorhoeve vertaalde ook alleen het Nieuwe Testament. Diens
‘Telos’ –vertaling is minder bekend en wordt vooral door ‘De Vergadering van gelovigen’ gebruikt. Deze vertaling kent inmiddels z’n vijfde versie.

Het is wel grappig dat vooral de vorige Willibrord-vertaling van 1978 - de standaardvertaling voor Rooms Katholiek België en Nederland – geliefd was en bleef bij veel protestanten. Misschien omdat deze vertaling prettig leesbaar was, zonder afbreuk te doen aan de vertaling, of men wilde toch een Bijbel inclusief de deuterocanonieke boeken, die protestanten met apocriefe boeken aanduiden. Van de laatste Willibrord-vertaling verscheen een versie speciaal voor protestante gebruikers.

Los van de keuze voor welke vertaling men kiest, staat de visie op de Bijbel als boek, als Godsopenbaring.
Berkhof zegt in zijn ‘Christelijk Geloof’ dat je, wanneer je een Bijbeltje in je broekzak steekt, niet kunt zeggen dat je Gods Woord op zak hebt.
Al verscheen zijn boek in 1973, er zullen thans nog genoeg kerkgangers zijn die het van harte oneens zijn met de Leidse hoogleraar.
Grofweg zijn er de mensen die vasthouden aan het ‘van-kaft- tot-kaft- principe’ - zij geloven in de Bijbel als het door God geïnspireerde Woord - en zij die de Bijbel zien als een product van mensen die hun beeld van God (zo Hij mocht bestaan) en Diens Koninkrijk hebben opgetekend in eeuwenoude geschriften.

Hoezeer deze visies ook verschillen, de lezing van de Schriften neemt in de brede verscheidenheid der kerken een prominente plaats in.

Het staat in schril contrast met de rol van de Bijbel in Amerikaanse televisiekerkdiensten. Er wordt nog wel een kort gedeelte uit gelezen, maar deze 66 eeuwenoude geschriften worden in het vervolg van de dienst verdrongen door gedachten en geschriften van de voorganger, die, uiteraard tegen betaling, in de kerk of via internet zijn te bestellen. Zoveel ‘power’ blijft er dan van zo’n ‘hour’ niet meer over…

Het tijdstip waarop wordt gelezen verschilt daarentegen wel binnen de verschillende denominaties van onze Protestante kerken. In de meeste gevallen wordt gelezen na het ‘gebed om de opening van de Schriften en de verlichting door Gods Geest’.
Anderen prefereren een omgekeerde volgorde. Als belangrijkste reden ken ik de opmerking die een predikant ooit maakte: “Eerst God aan het Woord, dan wij.”

Men kan kiezen voor het lezen van één of meerdere gedeelten. Er zijn voorgangers die bewust een lezing uit het Oude Testament, uit een Evangelie en uit de brieven van het Nieuwe Testament. In de Rooms Katholieke mis krijgt de lezing van het Evangelie extra nadruk. Het (H) Alleluia galmt dan voor de lezing door de kerk. Wellicht zijn er ook Protestante kerken die deze lezing extra uitlichten. Ik maakte het nooit mee.

De voorganger kiest voor zijn prediking een perikoop die nogal in grootte verschilt. Soms behandelt men een compleet hoofdstuk en in andere gevallen wordt een enkel vers uitgelicht. Ik maakte preken mee waarin slechts één woord voor het voetlicht werd gebracht.

In hoofdstuk 1h zal het uitleggen van het gekozen Bijbelgedeelte in de prediking of meditatie verder behandeld worden.

De lezing der Schriften wordt veelal door de voorganger zelf gedaan. Soms worden gemeenteleden - jong en oud - gevraagd dit te doen.
Het kan ook voorkomen dat aan het begin en/of aan het eind van een dienst nog een tekstwoord wordt meegeven aan de gemeente.

Typisch Nederlands is het meelezen door de gemeente. Nergens ter wereld zie je zoveel kerkmensen met hun eigen Bijbeltje (inclusief lied- en/of psalmboek) op schoot in de kerkbanken. Een enkeling komt zelfs met stapels boeken de kerk in.

Ook buiten kerktijden speelt de Bijbel een grote rol voor kerkmensen in hun dagelijks leven, binnen het kerkenwerk voor jeugd en jongeren, tijdens huisbezoeken door predikanten en/of kerkenraadsleden en op de verschillende kringen die actief zijn. Daarover later meer.

Hoe verschillend er dus tegen de Bijbel wordt aangekeken, het ‘Boek der boeken’ neemt in vrijwel alle Protestante kerken een bijzondere plaats in. Blijkbaar blijft men graag dicht bij de Bron. Rondom dat Woord is men samengekomen. Dat staat centraal. Een groot goed.

 

…bid elke dag

Al kunnen we Mahatma Gandhi niet tot de bekendste christenen van de aarde rekenen, hij heeft over het gebed wel iets moois gezegd. Hij noemde het gebed ‘de sleutel van de ochtend en de grendel van de avond’.

Als we dit te simpel opvatten, degraderen we het gebed tot slechts ‘openen en sluiten’. Alleen in Protestante kringen wordt over dit magere  ‘beginnen en afsluiten’ gesproken.
“Wil jij effe beginnen?”
“Als we een moment stil zijn, dan kunnen we beginnen.”
Het is alsof iemand de aftrap van een voetbalwedstrijd moet verzorgen.

Het gebed in de eredienst (en daarbuiten) is meer dan een deurtje open en een deurtje dicht.  Zo bedoelde Gandhi het vermoedelijk ook niet.Het is meer een ‘open stellen’ en een ‘beamen en tot een goed afronden komen ’ van een samenzijn voor het Aangezicht van de Eeuwige.

Het aantal gebeden en de wijze van bidden verschilt wederom sterk per gemeente.

Er zijn tal van gebeden te noemen, soms met dezelfde functie:

-      Het drempelgebed

-      Stil gebed voor Votum en Groet

-      Het Kyriegebed

-      Gebed ter verootmoediging

-      Schuldbekentenis

-      Gloria     (Is meer een loflied, al komt de passage ‘suscipe deprecationem nostram’ (=verhoor ons gebed) wel
                voor in dit lied). Soms kiest men voor het ‘Klein Gloria’.

-      Gebed om de opening van de Schriften en de verlichting door Gods Geest

-      Dankzegging (en)

-      Voorbede

-      Formuliergebeden

-      Consistoriegebed

-      Het Onze Vader

-      Zegen(bede)

Een enkele keer wordt een ‘keervers’ – eveneens met  antifoon aangeduid -  als  ‘vraag en antwoord gebed/lied’ gebruikt in erediensten.

Ongetwijfeld sla ik gebeden over, want tal van kerken en gemeentes hebben eigen gebeden ingevoerd in de liturgie

Gebeden worden uitgesproken of gezongen door voorgangers of gemeenteleden. Het ‘Onze Vader’ wordt dikwijls door de gehele gemeente hardop gebeden.
De een verkiest een gebed van papier of een formuliergebed terwijl de ander liever een spontaan gebed uitspreekt dat al biddend als een soort improvisatie ontstaat.

Deze spontane gebeden kunnen soms lang duren, zeker als persoonlijke voorbede deel uitmaakt van dat gebed. Het ‘Bidt zonder ophouden’  (1 Thes 5: 17 S.V.) wordt soms al te letterlijk genomen.

Een prachtige anekdote wil ik u niet onthouden. Voor trouwdiensten werd in een gemeente telkens dezelfde gepensioneerde ouderling gevraagd omdat hij geen vrije middag hoefde te nemen van zijn werk. De man vatte deze taak serieus op en zijn gebed in de consistorie, voorafgaand aan de dienst, duurde dan ook lang. Dit tot enige ergernis van de dienstdoende voorganger die de familie en gemeente niet te lang wilde laten wachten. Toen de predikant over dit feit sprak met de organist, wist deze wel raad met het probleem. Het bruidspaar was nog maar net in de consistorie of de organist werkte toe naar een enorm fortissimo. Terwijl de ouderling nog maar net met zijn lange gebed begonnen was, stopte de organist abrupt met spelen. Deze was normaliter gewend om zachtjes door te spelen tot de terugkeer van echtpaar, maar nu hield hij er dus, na een geweldig slotakkoord, ineens mee op. De ouderling moet dit gehoord hebben. Hij raffelde het gebed af en binnen een paar minuten keerde het echtpaar terug in de kerk. De predikant kon het niet laten om na afloop van de dienst de organist enthousiast een schouderklopje te geven:
 “Die houden we erin!”

De voorbede wordt vooral gedaan tijdens het dankgebed. In andere gemeentes wordt bij het openingsgebed direct voorbede gedaan.
Dan weer worden de namen of gebeurtenissen in deze voorbede voor het gebed genoemd (en in sommige gevallen in het gebed herhaald) of ze worden pas tijdens het gebed genoemd.
Er zijn gemeentes waar men in de persoonlijke voorbede spreekt van ‘de heer of mevrouw…’ In Christelijk Gereformeerde Kerken worden ze traditioneel met ‘broeder en zuster’ aangeduid.
Aan het eind van deze voorbede wordt aan de kerkgangers van tijd tot tijd de gelegenheid gegeven om in een stil gebed persoonlijke zaken aan God voor te leggen.

Met enige regelmaat struikelen voorgangers in de valkuil het dankgebed te maken tot een samenvatting van de preek. Alles wat in de meditatie is gezegd, wordt nog eens dunnetjes overgedaan. Bij sommige predikanten kan de gemeente zich beperken door vooral goed op te letten bij dit dankgebed, want dan heeft men de strekking van de preek daarvoor direct te pakken.

 

Het voert te ver om alle afzonderlijke gebeden te behandelen. Een aantal specifieke (kenmerken van) gebeden hoop ik o.a. in hoofdstuk 3 onder de loep te houden.

Gebed speelt ook buiten de eredienst een grote rol. Er zijn gebedskringen en gebedsbijeenkomsten. Deze, soms massale, gebedsbijeenkomsten worden verschillend ontvangen. Uiteraard bestaat er het persoonlijke gebed van ieder individu buiten het kerkelijke gemeenteleven om. Of het nu een schietgebedje, een gebed voor het slapen, een gebed aan tafel of op het werk gaat en de gebeden in de zogenaamde ‘stille tijd’, gebeden wordt er…onophoudelijk.

Mijn oude geschiedenisleraar kon het langs de snelweg niet over het hart verkrijgen om zijn lunch te nuttigen zonder te bidden. Hij parkeerde de auto op de vluchtstrook en bad. Toen hij de ogen opende keek hij naar het verbaasde gezicht van oom agent die hem vroeg wat hij in vredesnaam op de vluchtstrook deed. Of hij bekeurd werd, weet ik niet meer.  

Op die zelfde Middelbare school moesten wij altijd 2 km fietsen naar het sportveld voor onze gymles. De gymdocent zag ons niet graag te laat komen zodat haast geboden was. De ongelukkige godsdienstleraar die ons les gaf voor die fietstocht sloot de dag altijd af (daar gaan we weer…) met dankgebed, omdat een gebed op het sportveld als ongepast werd beschouwd. Na diens ‘amen’ vlogen wij naar de deur van het lokaal om geen tijd te verliezen. Soms wachtte hij opzettelijk met zijn ‘amen’ en stonden leerlingen al met de deurklink in de hand.
Duidelijk geërgerd riep de onderwijzer dan door het lokaal: “Het amen is geen startschot!” Omdat de man nogal met consumptie sprak zochten wij ten eerste dekking om vervolgens in lachen uit te barsten.

Hoe herhaaldelijk komisch die situatie destijds mocht zijn, ongelijk had de man niet.

Met Gandhi’s visie op gebed wil ik daarom nogmaals benadrukken dat het gebed niet gedevalueerd mag worden tot een ‘startschot’ of het uitgelezen moment om van tafel te gaan of de kerk uit te rennen naar de koffie.

Het gebed opent deuren! Deuren naar God, deuren naar elkaar en gebeden kunnen de deuren van onze eigen hart openbreken zodat de Eeuwige, onze naaste en wijzelf dat hart beter leren kennen.
In een dankgebed mogen de dingen worden bevestigd, vastgelegd en afgerond  met de grendel van het ‘Amen!’:

Het is vast en zeker!
Ja, Hij is onze God
en wij zijn het volk dat hij hoedt,
de kudde door zijn hand geleid.
(Psalm 95:7 NBV)

 

1e. Meer dan één dienst

Nadat de morgendienst met een viering van het Heilig Avondmaal na 55 minuten voorbij was, sprak ik na afloop, in het Duitse dorpje Lichtenberg, nog even met de kosteres. De wat oudere vrouw zuchtte terwijl ze de laatste spulletjes in de kerk opruimde. “Mijn man en ik hebben besloten om vandaag maar een keer uit eten te gaan. Dit is zo’n drukke en volle zondag, dan heb ik dat wel een keer verdiend.”
Ik moest een glimlach onderdrukken toen ik het relaas van de vermoeide kosteres had aangehoord.  ‘Haar’ kerk heeft slechts één dienst op een zondag en blijkbaar duurt een kerkdienst daar zonder een avondmaalsviering nog geen drie kwartier. Heel graag had ik haar in contact gebracht met een koster uit Nederland.

Daar waar het kerkbezoek redelijk tot goed is, zijn er in Nederland nog twee kerkdiensten op een zondag. Daar waar een grote gemeente een klein kerkgebouw ter beschikking heeft, zijn dubbele diensten soms nodig en zou dezelfde koster daar telkens acte de présence moeten geven, dan heeft hij of zij daar een dagtaak aan.

Nog maar een paar generaties geleden was het in ons land vanzelfsprekend dat men tweemaal ter kerke ging. Toen deze vanzelfsprekendheid wat op losse schroeven kwam te staan, werd  ‘Van één keer komt géén keer!’ een gevleugelde uitspraak.

Toch zette deze ontwikkeling zich dankzij een groeiende secularisatie na de 2e wereldoorlog voort. Vooral in de grote steden verdween de middag- of avonddienst van de zondagse agenda al snel en bleef alleen de ochtenddienst over.

De tweede dienst op zo’n zondag had en heeft dikwijls een ander karakter. Het werd in veel gevallen een ‘leerdienst’ waarin bijvoorbeeld m.b.v. één van de ‘Drie Formulieren van Enigheid’ een bepaald onderwerp werd uitgelicht. Geliefd waren en zijn de Catechismuspreken waarin een ‘zondag’ uit de Heidelbergse Catechismus wordt behandeld. Daar dit leerboekje uit 52 zondagen/hoofdstukken bestaat, kan de voorganger iedere zondag een onderwerp behandelen. De praktijk leert dat dit niet altijd lukt. Door het groeiende aantal bijzondere kerkdiensten kwam een Catechismusprediking nog wel eens in de knel.

In mijn jeugd probeerde men deze leerdiensten trouw vol te houden. Ik herinner mij de start van een nieuwe serie leerdiensten. Zondag 1 stond op het programma. Dominee Iz. Kok vergeleek de Catechismus met een markt. Iedere zondag passeren we een marktkraampje en proberen er iets bruikbaars mee te nemen. Kok voegde daaraan snedig toe: “Ik zou echter uw vrouw thuis laten, anders blijven we wekenlang bij het eerste kraampje hangen!” 

Ik verbaasde me altijd over de indeling van de Heidelbergse Catechismus. Slechts 3 zondagen (2, 3 en 4) behandelden het thema ‘onze ellende’ terwijl de andere zondagen aandacht schonken aan ‘onze verlossing’ en ‘onze dankbaarheid’ . In de prediking van die tijd lagen die verhoudingen vaak totaal anders.

De ‘Nederlandse Geloofsbelijdenis’ van Guido de Brès en de ‘Dordtse Leerregels’ werden beduidend minder gebruikt in de eredienst. Waarschijnlijk omdat de inhoud van deze geschriften gecompliceerder is. Het is maar zeer de vraag welke predikanten de strekking van de Dordtse Leerregels werkelijk bevatten.

Het gebruik van de ‘Drie Formulieren’ raakte in de loop der jaren op de achtergrond. Het uit het hoofd leren van de Heidelbergse Catechismus door catechisanten is eveneens bijna voltooid verleden tijd. Alleen in reformatorische kringen wordt (letterlijke) kennis van dit leerboek nog wenselijk geacht. In Hongarije maakte ik het in de jaren negentig van de vorige eeuw nog mee dat een meisje tijdens haar belijdenisdienst overhoord werd door de predikant. Ze was zeer gespannen, maar slaagde toch voor dit pittige examen. 

Om de tweede dienst wel het karakter van een leerdienst te geven werden alternatieven gevonden. De ‘Themadiensten’ raakten in zwang. Wekenlang wordt een onderwerp of een Bijbelgedeelte behandeld.

Andere gemeentes kozen voor een wijze van vieren die niet te vergelijken is met de invulling van de ochtenddienst. Men kiest soms voor zangdiensten, gebedsdiensten. Voor cantatediensten en evensongs moet men meestal naar de grotere steden. Ze worden wel verrassend goed bezocht. In andere gevallen worden er gespreksgroepen gevormd en niet zelden eten en drinken de gemeenteleden met elkaar.

Het komt echter ook nog frequent voor dat de middag- of avonddienst een exacte kopie is van de ochtenddienst. Soms ligt het enige verschil hierin dat er ’s morgens uit de Decaloog gelezen wordt en dat ’s middags of ’s avonds het Apostolicum daarvoor in de plaats komt.

Zoals gezegd, heeft de leegloop van de kerken erin geresulteerd dat kerkelijke gemeentes zich steeds meer gingen/moesten beperken tot één dienst per zondag. Zijn er meerdere wijkgemeentes in een plaats dan houden zij samen een dienst, al is ook dat meestal het begin van het einde.

Toen de legendarische predikant Jac. van Dijk eens in onze gemeente voorging, werd hem gevraagd de inzameling voor een zevende wijkgemeente aan te prijzen vanaf de kansel. Hij verzuchtte toen: “Toe maar! Een zevende wijkgemeente! Het houdt niet op in Veenendaal! In Arnhem ben ik al blij met één middagdienst in de maand!”

Ook kerken op de Veluwe zien naast vele andere kerkelijke gemeentes thans een toenemende leegloop tijdens de middag- en avonddiensten. Men geeft ze niet graag prijs, maar het is de vraag of de kerk straks voor 25 mensen nog warm gestookt kan worden.

Her en der kwam van één…géén. Elders is er juist sprake van groei, of verhuisde men slechts naar een andere gemeente.

De tijd dat je voor een tweede dienst op tijd van huis moest om een goed plekje te bemachtigen ligt (ver) achter ons. Of we dit moeten betreuren en of we de tweede dienst een tweede kans moeten geven, hoop ik later te overpeinzen.

Naast de tweede dienst op zondag zijn er in de loop van het kerkelijk jaar meer extra kerkdiensten. In de hierop volgende paragraaf komen deze bijkomende diensten ter sprake.

1f Kerkelijk Jaar

Vieren Joden en Chinezen hun Nieuwjaar op een andere dag dan de eerste dag van januari, ook de kerk hanteert haar eigen kalender.

Binnen de Protestante Kerken nemen vooral de christelijke feestdagen een belangrijke plaats in op deze kalender. Ook bij de Rooms Katholieken zijn dat de dagen die het er toe doen, maar in deze kerken is die kalender veel gedetailleerder ingevuld, o.a. vanwege de gedenkdagen van heiligen.

Een tweede verschil is dat Rome bepaalt hoe de invulling van die kerkelijke jaarindeling eruit komt te zien. Iedere dag is a.h.w. ingevuld en daaraan houdt de wereldwijde Rooms Katholieke Kerk zich precies aan. Zo is de lezing uit de Schriften in praktisch alle Rooms Katholieke Kerken  ieder weekend gelijk, waar je ook kerkt.

Binnen de Protestante Kerken zie je de afgelopen decennia ook een ruim van tevoren vastgestelde kerkelijke agenda, al blijft daar veel meer ruimte over voor eigen invulling.

Het kerkelijk jaar start 4 weken voor het Kerstfeest, met de vier adventsweken. De laatste zondag voor die periode van vier weken wordt  ‘De laatste zondag van het kerkelijk jaar’ of ‘eeuwigheidszondag’ genoemd. Dat betekent voor veel kerken dat overledenen op die zondag worden herdacht, terwijl andere kerken daarvoor 31 december hebben gekozen.

De genoemde christelijke feestdagen die er bovenuit steken zijn het Kerstfeest, de Epifaniëntijd (= Verschijning van de Heer op aarde), de tijd voor Pasen, het Paasfeest, Hemelvaart en Pinksteren. De zondag voor Pinksteren wordt ‘Wezenzondag’ genoemd en de zondag erop de zondag ‘Trinitatis’.

Aan deze verschillende periodes worden kleuren verbonden. Deze kleuren zijn terug te vinden in het liturgisch centrum van een kerk, of de predikant gebruikt verschillende stola’s bij de toga.

Op internet vond ik dit overzicht:

 

Iedere gemeente geeft op haar eigen wijze aandacht aan deze kalender. In onderstaand overzicht som ik een aantal voorbeelden op waarbij ik volledigheid nog niet eens benaderen kan:

Adventstijd

In alle kerken zal men in de Bijbellezing en verkondiging aandacht besteden aan deze periode op weg naar Kerst, waarbij men ook verder kijkt naar de tweede komst van Christus. Op de laatste zondag voor deze periode worden, zoals gezegd, in tal van gemeentes broeders en zusters, die de gemeente ontvallen zijn, herdacht. Op die zondag heeft de prediking meestal een eschatologisch (= leer van de laatste dingen) thema. De periode van 4 weken wordt met kaarsen aangegeven. Iedere zondag brandt er een kaars meer, tot het Kerstfeest daar is.
In bijeenkomsten, buiten de zondagse diensten om, wordt extra aandacht besteed aan deze vier weken. Thuis en op school wordt de adventskalender gebruikt of vindt men een adventskrans op tafel.
De vier zondagen voor Kerst kregen ook eigen namen:

1.   Zondag Levavi (=De ziel opheffen naar God)

2.   Zondag Populus Sion (=Volk van God, maak u op, de Heer nadert)

3.   Zondag Gaudete (= Verheugt u, de Heer is nabij)

4.   Zondag Rorate (= Dauwt, hemelen, uit de hoge op de Rechtvaardige)

 

Duurt bij de Protestanten deze periode 4 weken, de Oosters Orthodoxe Kerk begint een week eerder en kent een periode van 40 dagen.


Kerstfeest

In een groeiend aantal kerken wordt op de avond voor Kerstfeest een Kerstavonddienst of Kerstnachtdienst gehouden. Zelden vinden deze diensten ‘s nachts plaats, zoals je dat wel in Rooms Katholieke kerken ziet. In grote Rooms Katholieke kathedralen klink precies om twaalf uur het Latijnse ‘Puer natus est’, een Kind is ons geboren. Dat ‘moment suprème’ kennen de Protestante kerken meestal niet.

Opvallend is, dat dergelijke diensten in grote steden drukker worden bezocht dan de kerkdiensten van Eerste Kerstdag. Daar waar men trouwer ter kerke gaat, zie je juist dat de kerken voller zitten op Eerste Kerstdag, al zie je ook daar een kentering. De kerkdiensten rond Kerst zijn bij voorkeur laagdrempelig en trekken veel rand- en buitenkerkelijken.

Met groeiende reserves wordt het Kerstfeest in onze kerken gevierd. Steeds vaker horen we geluiden dat het feest te commercieel zou zijn en weinig te maken zou hebben met de komst van Christus op aarde. Ook de heidense achtergrond van het Kerstfeest doet velen kritisch kijken naar dit moment op de kerkelijke kalender. Eveneens vindt men het tijdstip onjuist gekozen. Ondanks alle kerstliederen over de winter en de kou, zou de geboorte van Christus in het voorjaar plaats hebben gehad. Het feit dat het vieren van verjaardagen niet in de Bijbel terug te vinden is, wordt door anderen weer opgeworpen om opnieuw na te denken over de viering van het Kerstfeest. Professor A. van de Beek stelde onlangs voor om i.p.v. het Kerstfeest juist het Bijbelse Loofhuttenfeest meer aandacht te geven.

Hoewel er dus met de nodige scepsis naar dit feest wordt gekeken, wordt het in de breedte van de kerk ruim gevierd. Kerken zitten doorgaans voller dan de rest van het jaar en die momenten raakt de kerk niet graag kwijt. Zelfs gemeentes die, als het om de reguliere kerkdiensten gaat,  voor een sobere eredienst gekozen hebben, pakken stevig(er) uit. Die enkele keer dat er op de kerkelijke kalender een uitbundig feest voorkomt, neemt men het er van.

Blijven in het buitenland de kerken veelal dicht op 2e Kerstdag, in Nederland kan men weer opgaan naar het huis des Heren, in sommige gevallen zelfs twee keer. Men kiest op die dag wel voor een andere invulling van de viering. Er wordt meer gezongen en gemusiceerd. Toch hoor ik via het internet op 26 december, tot op de dag van vandaag, ‘gewone’ kerkdiensten op deze middag. Mocht de 2e Kerstdag op een dinsdag vallen, dan kan men dus, zo men wil, 6 keer naar de kerk. De middag/avonddienst op 1e Kerstdag vervalt dikwijls, zo deze er al was.

De Rooms Katholieke traditie om een kerststal in de kerk te plaatsen ziet men steeds vaker in Protestante gemeentes. Andere versieringen, zoals de bekende kerstboom, treft men in een groeiend aantal kerken aan.

De eredienst heeft een feestelijk karakter waarbij beroemde kerstliederen niet mogen ontbreken. Lucas 2 is bij uitstek het Bijbelgedeelte om gelezen te worden. Ik maakte een predikant mee die dit overbekende stuk uit de Bijbel niet las op 1e Kerstdag. Dat heeft hij geweten. Ook het zingen van het ‘Ere zij God’ is voor velen een traditie die niet zonder slag of stoot  wordt losgelaten. Wellicht zelfs niet door de eerder genoemde verontrusten die de kerk destijds verlieten vanwege het zingen van dit kerstlied na het uitspreken van de zegen. Een gevleugelde uitspraak van de al eerder genoemde beroemde predikant Jac. Van Dijk luidde: “Ik heb tijdens dit Kerstfeest het ‘Ere zij God’ zeven keer gezongen en het geloof behouden.”

Buiten kerkdiensten om zijn er in deze periode veel bijeenkomsten. Koren houden zangavonden en sprekers trekken volle zalen. Vervelen hoef je je niet in deze tijd.

Oud en Nieuw

De jaarwisseling neemt geen al te bijzondere plek in op de kerkelijke kalender. Men kan op Oudjaarsavond en Nieuwjaarsdag wel naar de kerk. Op 31 december worden dus her en der de overledenen herdacht. Slechts weinigen bezoeken nog de kerkdienst op 1 januari, of het moet een zondag zijn. De kleine groep die wel vroeg het bed uit stapte, drukt elkaar na afloop van deze dienst de hand.

Epifaniëntijd

In deze periode tot Pasen, die tevens met ‘Tijd van Driekoningen’ wordt aangeduid, staat de kerk stil bij de verschijning en de handel en wandel van Christus op aarde. Het is een periode, zover ik kan overzien, waarin weinig opvallends plaatsvindt. Een beetje opmerkelijk is dat wel, want deze periode was in de vroegere christenheid zeker zo belangrijk als het Kerstfeest.  

Lijdenstijd/Veertigdagentijd

Veertig dagen of 7 weken voor kerst start de tijd op weg naar Pasen. De kerk richt alle aandacht op het lijden en sterven van Christus. De periode van 7 weken veranderde in de loop der tijd in 40 dagen. Een verontruste predikant zei ooit tegen mij: “Nu maken ze van 7 weken al 40 dagen, straks blijft er niets meer van over!” Men koos echter met opzet voor 40 dagen, omdat het getal 40 in de Bijbel dikwijls een periode aangeeft van voorbereiding en inkeer.

Een groeiende groep kerkgangers begint in deze tijd een periode van vasten.

Gedurende die 40 dagen worden er dikwijls wekelijkse vesperdiensten georganiseerd, of men beperkt zich tot een of meerdere vesperdiensten in de Stille Week.

Deze Stille of Goede Week is de laatste week voor Pasen waarin met name Palmzondag (de zondag voor Pasen) en de  donderdag t/m zaterdag extra worden uitgelicht.

Palmzondag

Op deze zondag herdenkt men de intocht van Christus op een ezelsveulen in de stad Jeruzalem. Velen zien het als de start van de weg die Jezus bewandelde  op weg naar Golgotha. In veel kerken vindt dan Openbare Belijdenis van het Geloof plaats.

In grotere Rooms Katholieke kerken is deze mis een bijzondere. Niet zelden slaat de voorganger van die zondag met zijn staf op de gesloten kerkdeuren om zo symbolisch de poorten van Jeruzalem te openen of om de start van de Stille/Goede Week uit te beelden.

In kerken worden soms palmtakken uitgedeeld aan de gemeenteleden. Ik maakte het ook mee dat voorjaarsbloemen werden uitgedeeld aan het einde van de dienst.

Witte Donderdag

Deze donderdag is de dag waarop Christus het Avondmaal met zijn leerlingen vierde. Dit moment wordt in kerken met een speciale Avondmaalsdienst herdacht. Vooral in de Rooms Katholieke Kerk kent deze dag de nodige extra gebruiken. In Duitssprekende gebieden het deze dag ‘Groene Donderdag’. Er worden groenten gegeten, vooral spinazie. De herkomst van de naam en gewoontes is niet geheel duidelijk. In traditionele R.K. kerken zwijgt het orgel die dag tot Pasen. Het Gloria wordt soms de gehele Veertigdagentijd of vanaf deze donderdag niet meer gezongen.

Goede Vrijdag

Op een winterse dag in april kwamen wat jonge mensen op me af in een  stadje in Zuid-Duitsland.
Of ze een vraag mochten stellen.
“Was bedeutet Karfreitag für Ihnen?”
Mijn Duits is niet beroerd, maar op dat moment stond ik met een mond vol tanden. De jongen sprak een beetje binnensmonds en zijn ‘Karfreitag’ klonk mij volkomen onbekend in de oren. Toen ik hem duidelijk maakte, dat ik niet wist waarover hij sprak, werd hij werkelijk heel boos. In niet mis te verstane woorden maakte hij mij duidelijk dat deze onwetendheid de perken te buiten ging. Vriendelijk vroeg ik hem uit te leggen waarover hij sprak. “Wir gedenken an diesem Tag das Opfer Jesu!”, sprak hij niet zonder verontwaardiging.
Toen viel het kwartje.
Helaas zal deze vraag in ons eigen kikkerlandje door velen fout beantwoord worden. Hoe dan ook, deze dag speelt letterlijk een cruciale rol op de kerkelijke jaarkalender.    

Soms één keer en soms twee keer komt de gemeente op die dag samen. Men kiest deze dag ook wel uit voor een extra viering van het Heilig Avondmaal. De kerkdiensten op Goede Vrijdag hebben een ingetogen karakter. Er worden veel liederen gezongen rond het lijden van Christus. In navolging van traditionele R.K. kerken, zwijgt het orgel soms bij het uitgaan van de kerk.

Stille Zaterdag

Deze Paaszaterdag wordt gezien als voorbereiding op de zondag van Pasen. Er wordt ’s avonds in verscheidene kerken een Paaswake gehouden. In heel veel kerken heeft deze dienst al iets van een Paasdienst.  Zangkoren en oratoriumverenigingen houden graag een Passie/Paasconcert op die dag.

Pasen

Zoals met Kerst heeft de kerkdienst op 1e Paasdag een feestelijk karakter. Er zijn genoeg mensen die de kerk zelden van binnen zien, maar wel naar een uitvoering van Passiemuziek of een Passiespel gaan. Onkerkelijke Kamerleden zitten vooraan in de Vitus van Naarden bij de uitvoering van de Mattheüs Passie van J.S. Bach en zeggen graag tegen de aanwezige journalisten dat het hen wel wat doet of dat het zulke mooie muziek is. De aantrekkingskracht van kerkdiensten op deze kerkelijke hoogtijdag is vele malen minder dan met Kerst. Op de 2e Paasdag zijn er wederom kerken open. De kerkdiensten hebben hetzelfde karakter als die op 2e Kerstdag. Nederland kent op deze dagen vooral veel orgelconcerten, maar menig kerkganger staat die dag zonder moeite in de rij voor andere meubels…die van de Ikea.

Hemelvaart

Weer gaan 40 dagen voorbij. Op die donderdag is het Hemelvaartsdag. Ds. Okke Jager sprak in zijn tijd grappend over ‘de algemeen christelijke fietsdag’.
Hoewel de Bijbel nergens van ‘Hemelvaart’ spreekt, bleef deze naam in zwang.
Inderdaad stappen veel christenen vroeg op de fiets (of ze verkiezen de benenwagen) om een zogenaamde  ‘Dauwtraprit/tocht’  te maken om vervolgens in de open lucht een dienst mee te maken. Dit ‘Dauwtrappen’ heb ik in mijn jeugd ook vaak gedaan. Eerst achterop de fiets bij vader en later zelf op de tweewieler. Niet zelden vertrokken wij met de handschoenen aan en keerden met opgerolde mouwen in het zonnetje huiswaarts. Ook zaten wij regelmatig met de paraplu op in de vrije natuur. De koffie en limonade die na afloop werden aangeboden maakten een hoop goed. 

Dit traditionele ‘Dauwtrappen’ heeft zoals Kerst een heidense achtergrond. De vroege ochtendwandeling op de vochtige grond zou een zuiverende werking hebben of zou boze geesten verjagen.

Er zijn ook kerken die de ‘Dauwtraprit’ met Pinksteren organiseren. Anderen verkiezen een kerkdienst op de wijze die men op de zondag gewend is.

Ik bewonder predikanten die uit de kleine geschiedenis - opgetekend in  Handelingen 1 - jaarlijks een verrassende of verfrissende kijk weten te geven.

Steeds meer mensen besluiten de viering van Hemelvaart te laten voor wat ze is en maken er een ‘dagje uit’ van. I.t.t. andere landen is Hemelvaartsdag in Nederland (nog steeds) een officiële vrije dag. Nog niet zo lang geleden werd voorgesteld deze dag af te schaffen en een dag te kiezen die voor vele religies als feestdag kan worden gezien.
Diezelfde mensen die ruim 40 dagen daarvoor in Naarden vooraan zaten, juichen dergelijke ideeën dikwijls van harte toe. En het deed nog wel zo veel…

Wezenzondag

Omdat Jezus tegen zijn discipelen zei, dat Hij hen niet als wezen zou achterlaten (Joh 14:18), wordt de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren met ‘Wezenzondag’ aangeduid. Er wordt op die zondag dikwijls uit het genoemde Bijbelgedeelte gepreekt. De collecten zijn, met het oog op Pinksteren, die zondag vaak bestemd voor missiewerk in eigen gemeente.

Pinksteren

‘Messe de la Pentecôte’  noemen de Fransen de mis op Pinksterzondag. In het Grieks betekent  ‘Pentècostè’  het getal vijftig. Op de 50e Paasdag wordt dit oorspronkelijke oogstfeest gevierd in de kerken. De Uitstorting van de Heilige Geest op die vijftigste dag staat centraal.
Er zijn gemeentes die dit kerkelijke feest als de ‘start van de kerk’ zien en houden dan de dienst van Openbare Geloofsbelijdenis. Zien velen de 2e Pinksterdag als de ideale dag om erop uit te gaan.
Er zijn kerken die de deuren opnieuw open zetten. In Zeeland en in de Zaanstreek bestaat zelfs een 3e Pinksterdag, de zogenaamde ‘Pinksterdrie’. Deze derde Pinksterdag heeft zijn oorsprong in de vaderlandse geschiedenis, niet in de kerkelijke. Omdat dit heilsfeit een wat abstracter karakter heeft dan bijvoorbeeld Kerst en Pasen, trekt deze kerkelijke feestdag weinig extra kerkbezoekers, terwijl juist dit feest bij uitstek een missionair karakter draagt.

Kerkelijke gemeentes houden met Pinksteren graag een gemeentedag.  Deze worden veelal in de open lucht gehouden. In die zelfde open lucht worden ook met Pinksteren ‘hagepreken’ gehouden.

Triniteitszondag

Op de zondag na Pinksteren vieren de R.K. kerken en steeds meer Protestanten het feest van de Drie-eenheid of heilige Drievuldigheid. In de kerkdiensten staat centraal welke rol God drie-enig in de levens van mensen speelt.

Overige bijzondere diensten

Na Pinksteren tot aan de eerste adventszondag breekt er een rustige periode aan op de kerkelijke kalender.

Los van de kerkelijke feestdagen zijn er wel kerkdiensten die eruit springen, naast de in het volgende hoofdstuk genoemde diensten waarin een sacrament wordt bediend.

Startzondagen / Jeugdzondagen

In het najaar starten de verschillende kerkelijke activiteiten weer. Tijdens een kerkdienst of een weekend wordt het startschot voor deze periode gegeven. Kerken die een startweekend houden, organiseren allerhande activiteiten in en rond de kerk.
Elders kiest men voor de term ‘Jeugdzondag’. Tijdens speciale kerkdiensten gericht op de kinderen en de jeugd van de kerk opent en sluit men het ‘Winterwerk’ van de kerk. Thema’s van dergelijke diensten worden landelijk of door de eigen gemeente bepaald.

Jeugd- en themadiensten

Naast de bovengenoemde ‘jeugdzondag’ worden er met grote(re) regelmaat diensten voor kinderen en jongeren gehouden. De jeugd van de kerk kan bij de voorbereiding van deze diensten betrokken worden. Qua liturgie en prediking wijken deze diensten af van de gangbare zondagse diensten. In de preek wordt rekening gehouden met de leeftijd, leef- en  belevingswereld van de jeugd. Speciale sprekers worden uitgenodigd. De eigen voorganger is daar niet altijd treurig over omdat menig predikant opziet tegen aangepaste diensten. Ooit trof ik na afloop van zo’n dienst een vermoeide herder. Hij keek mij ietwat bedroefd aan en verzuchtte: “De volgende keer mag een ander het doen!” Een domineesvrouw zei ooit tegen mij: “Mijn man ligt er een week wakker van.” Wanneer men echter voorstelt om het aan een ander dan een dienaar des Woords over te laten, raakt men een gevoelige snaar.
Qua muziek wordt de dienst bij tijd en wijle in een eigentijds jasje gestoken.

 

De invulling van dergelijke diensten verschilt weer sterk per kerk. In de ene gemeente is  de invulling van deze kinder/jeugddiensten vrijwel niet te onderscheiden van de andere zondagse diensten. “Alleen de preek is iets korter...” mopperen kinderen dan. In andere gemeentes vraagt men zich vertwijfeld af of men wel dezelfde kerk is binnengewandeld die men de week ervoor nog bezocht.
Alle toeters en bellen die men verzinnen kon, heeft men van stal gehaald.  
Kortom, de keuzes die bij de invulling van deze diensten moeten worden gemaakt leveren dikwijls spanningen op. Enerzijds zijn deze diensten populair en trekken ze de kerken weer vol. Aan de andere kant zijn er nogal wat gemeenteleden die bang zijn dat de éredienst in het geding komt. Ouderen blijven bij deze diensten niet zelden opzettelijk thuis of gaan ‘buurten’ en het is de vraag of de gemeente dat voor ogen had.

De themadienst wijkt in de meeste gevallen niet veel af van gangbare kerkdiensten. In één of een serie kerkdiensten wordt een bepaald thema of Bijbelgedeelte behandeld. De dienstdoende predikant maakt graag  reclame voor de bewuste kerkdienst. In publicaties van de kerk, op websites, op affiches en in de plaatselijke pers wordt men opgeroepen vooral te komen. Dikwijls werkt dit aanstekelijk en volgen de collega’s op de voet. In ons kerkblad zie je soms drie of meer themadiensten op een zondag voorbij komen. Had dit – het houden van themadiensten - de slagroom op het zondagse gebak moeten worden, het effect – hopen op nieuwe en nieuwsgierige kerkgangers - blijkt na een poosje nihil.

Als er sprake is van een serie themadiensten, dan worden andere predikanten wel gevraagd mee te werken aan de serie diensten. Het gevaar voor overlap is dan, indien er onvoldoende overleg is tussen de predikanten, groot.

De keuze van de thema’s is eveneens lastig. Soms verliest men uit het oog dat het om een kerkdienst gaat en niet om een gemeente-avond

Zowel voor jeugddiensten als voor themadiensten geldt dat er na afloop van dergelijke diensten mogelijkheden bestaan om de boodschap te ‘verwerken’. Kinderen gaan aan het knutselen en de jeugd en de ouderen bespreken het thema in kringen en groepen.

Openbare Belijdenis van het geloof

Onder de catechisanten van de kerk is er (bijna) ieder jaar een groep die dat seizoen de belijdeniscatechese volgt om dat jaar belijdenis te doen in de kerk. Men vindt gemeenten waar het liturgisch centrum stampvol (jonge) mensen staat die voor God en Zijn gemeente hun geloof willen belijden.
Voorafgaand aan deze kerkdiensten kent men zogenaamde  ‘aannemingsavond’, die vroeger wel als examen voor het belijdenis doen werd ervaren.
Verschillende kerkgenootschappen zien deze stap in het leven van een gemeentelid als voorwaarde om aan de dienst van de sacramenten deel te nemen.
Deze dienst kan een zakelijk karakter hebben, maar in de loop der jaren werden deze feestelijke diensten steeds persoonlijker, waarbij de rol van de catechisanten zelf groter geworden is. Zo herinner ik me uit mijn jeugd de diensten waarin slechts een formulier werd voorgelezen en de catechisanten – met de rug naar de gemeente toe – werd gevraagd om ‘ja’ te zeggen. Dat was het dan wel zo’n beetje.
Toen een familielid van mij in de jaren vijftig van de vorige eeuw belijdenis deed, werd een van de catechisanten onwel tijdens de dienst. De zielenherder had blijkbaar niet echt een persoonlijke band opgebouwd met zijn groep, want toen het meisje overeind geholpen werd, vroeg hij aan de ouderling vlak naast hem: “Wie is dat?”

Catechisanten die niet gedoopt zijn, ontvangen doorgaans dit sacrament tijdens deze bijzondere kerkdienst.

Bevestiging ambtsdragers

Mede dankzij de leegloop der kerken wordt het steeds lastiger om gemeenteleden te vinden die in de kerkenraad willen participeren als ouderling, diaken of kerkrentmeester. Vindt men nieuwe kerkenraadsleden, dan worden zij bevestigd tijdens zondagse kerkdiensten en voor die broeders en zusters voor wie hun ambtsperiode erop zit, is er een moment van afscheid. Na een Belijdenisdienst of zo’n bevestigingsdienst krijgt de gemeente gelegenheid om de broeders en zusters de hand te drukken.

Bevestiging en intrede van predikanten

In vrijwel alle gevallen gebeurt dit op zondag. Binnen orthodoxe kringen worden deze diensten ook op een doordeweekse dag gehouden om reizen op de zondag te voorkomen. Grappig is, dat die zelfde predikanten op zondag stad en land afrijden om soms niet naast de deur te gaan preken.  De bevestiging en de intrede vindt plaats in twee kerkdiensten, waarbij de nieuwe predikant door een collega wordt bevestigd. Collega’s leggen na een gelofte de nieuwe predikant de handen op. De kerk zit bij dergelijke diensten doorgaans tot de laatste plaats vol. Vanuit de kerk, de eigen kerkelijke gemeente, maar ook de plaatselijke gemeente, worden toespraken gehouden.
Aan deze dienst ging, als het om een predikant gaat die in een andere gemeente heeft gestaan, een afscheidsdienst vooraf.
Ik herinner me een afscheidsdienst waarin iedereen in de kerk met spanning op de bus wachtte vol broeders en zusters van de nieuwe gemeente van de voorganger. Enorme sneeuwval bemoeilijkte het verkeer die zondag en de bus kwam een half uur te laat bij de kerk aan. Toen de passagiers de kerk in wandelden, liet de predikant psalm 147 zingen. Het vers zoekt u zelf maar op! Waar gebeurd.
De intrededienst vindt meestal plaats op een ander tijdstip dan een normale middag/avonddienst om de aanwezige predikanten de mogelijkheid te geven nog elders te kunnen voorgaan.

Biddag en Dankdag

In mijn inleiding vertelde ik al dat mijn professor er geen flauw benul van had dat velen in Nederland nog ter kerke gaan op twee doordeweekse dagen in het jaar. De eerste woensdagen van maart en november zijn respectievelijk en bijna overal de Biddag en de Dankdag (voor gewas en arbeid). Tijdens deze diensten wordt gebeden of gedankt voor de zegeningen van de Heer over alles wat de aarde ons geeft en wat wij als mensen mogen bijdragen in onze werkzaamheden.
Men kan, indien men wil, tweemaal ter kerke die dagen. Voor kinderen zijn er her en der speciale kerkdiensten en sommige scholen geven hun leerlingen vrij op deze dagen. Andere scholen werken een week lang over een thema.

Steeds meer gemeentes zijn afgestapt van deze twee woensdagen in het jaar. Zij vestigen tijdens een speciale zondagse dienst bijzondere aandacht op de thema’s die bij Bid- en Dankdagen aan bod komen.

Rouw- en Trouwdiensten

In het buitenland is het nogal ongebruikelijk om de inzegening van je huwelijk op een werkdag te laten plaatsvinden. Heel vaak zie je dat één dag als ‘trouwdag’ is gekozen. In Hongarije maakte ik een predikant mee die op zaterdag aan de lopende band stellen in de echt verbond. Als echtpaar één via de achterzijde de kerk verliet, wachtte hij echtpaar twee bij de voordeur op en ging vrolijk verder.

In ons land komt de kerkelijke inzegening van het huwelijk de gehele week voor. Een stel kiest soms zelfs voor een kerkelijke inzegening op zondag. Ook trouwdiensten op de zaterdag en in de avond komen frequenter voor. Vaak kiest men voor deze optie zodat de eigen kerkelijke gemeente of werkende familie en vrienden gemakkelijker aanwezig kunnen zijn bij de dienst.

Het echtpaar kiest er voor om of in de eigen gemeente met de eigen predikant te trouwen of om dit in een andere kerk al dan niet met een andere predikant te doen. Dit heeft met de persoonlijke voorkeur van het echtpaar te maken. Men kiest graag historische kerken en laat bijvoorbeeld het eigen moderne kerkgebouw links liggen. Kosters van historische kerken hebben het dankzij deze gastdiensten extra druk. Voor de kerkrentmeesters betekenen al die trouwerijen wel een extra zakcentje voor de kerkelijke kassen. Echtparen kiezen dikwijls eigen muzikanten uit. Het zal niet de eerste keer zijn, dat de eigen organist van de kerk hiervan niet op de hoogte is gesteld en voor niets komt opdagen.

Het kan zijn dat de predikant de liturgie vrijwel alleen bepaalt, maar in deze tijd worden de wensen van het echtpaar steeds serieuzer genomen. Die wensen botsen nog wel eens met de visie van de kerkenraad of de predikant. De invulling van de trouwdienst kan tevens niet stroken met de ideeën van de gastgemeente waar men de kerkdienst wil houden. Er zijn daarom ook kerkelijke gemeentes die hun historische kerkgebouw alleen beschikbaar stellen voor echtparen uit hun eigen kerk. Eén van mijn neven kreeg daardoor ook nul op het rekest en trouwde derhalve in een Rooms Katholieke kerk in dezelfde plaats. De koster van deze kerk zei enthousiast tegen mij: “Ik vind dat wel leuk, kan ik eens zien hoe jullie dat doen!” Het is maar hoe je het bekijkt…

Bij trouwdiensten elders neemt het echtpaar wel een kerkenraadslid van de eigen (wijk)gemeente mee, omdat men in die gemeente wil blijven kerken. Voor het goede verloop van een trouwdienst dienst meestal een ouderling en een diaken aanwezig te zijn.

Voor predikanten zijn trouwerijen tijdrovende diensten. Het echtpaar wil de dienst soms goed voorbereiden samen met de predikant. Deze diensten beginnen vrijwel altijd te laat en lopen niet zelden uit. Extra toespraken en muziek zorgen vooral voor de uitloop.
Ik herinner mij een trouwdienst waarbij het echtpaar maar niet kwam opdagen. Nerveus ijsbeerde de predikant door de gemeenschapsruimte  van de kerk. We waren inmiddels al 25 minuten over tijd en er was nog geen teken van een trouwstoet te bekennen. “Nog vijf minuten en ik ga!”, sprak de dominee geërgerd. Eindelijk verscheen de heraut van het bruidspaar: de fotograaf. De motor van de oldtimer, waarin het bruidspaar zat, bleek vlam gevat te hebben onderweg. Dat had even tijd gekost…

Rouwdiensten

Worden veel rouwdiensten in rouwcentra gehouden, er vinden ook rouwdiensten in de kerk plaats. Het kan vanwege de wens van de (dierbaren van de) overledene zijn, maar soms heeft het een praktische reden, omdat men veel mensen worden verwacht. In de meeste gevallen gaat de eigen predikant voor en is één aanwezige ouderling voldoende.

Predikanten kunnen ook gevraagd worden om een rouwdienst te leiden van iemand die bij hem of de kerk amper of zelfs niet bekend is. Dat is voor de dominee geen sinecure. Een zekere band met de overledene (en zijn dierbaren) is nou eenmaal geen nadeel.
Aan de andere kant…
Als organist maakte ik dergelijke diensten dikwijls mee en vrijwel altijd zei ik dan na afloop tegen mijzelf: “Als de kerk reclame wil maken voor de zaak, dan moet ze dat hier doen!” Helaas heb ik nogal eens moeten ervaren dat die fraaie mogelijkheid niet werd benut.
Juist bij deze diensten moet een ieder die het woord voert alles wat gezegd wordt op een goudschaaltje wegen.
Dat enkele randkerkelijke familieleden van mij nogal vertoornd waren toen de predikant de tekst van zijn overdenking, tijdens een afscheidsdienst van een dierbaar familielid, achterop de rouw-annonce had geschreven, is niet verwonderlijk.
De inhoud van iedere rouwdienst afzonderlijk verschilt enorm per kerkgenootschap of familie.
In de door de voorganger gehouden overdenking komt dit onderscheid al naar voren.
Dan weer zijn de woorden bemoedigend en troostend, maar u zult ook rouwdiensten hebben meegemaakt waarin een vermanende en weinig hoopgevende boodschap werd meegegeven.
Samenzang komt voor, maar niet altijd. Toespraken van familieleden en bekenden vormen uiteraard geen uitzondering.
De muziekkeuze is in de loop der tijd ruimer geworden. Zelfs kerkelijke mensen kiezen soms muziek uit – laat ik mij voorzichtig uitdrukken – het lichtere genre. Een andere keer kiest men wel voor een christelijk lied, maar heeft men weinig besef van de inhoud.
Begrafenissen van beroemdheden kunnen daarbij een inspiratiebron vormen. Dat men dan de klok wel heeft horen luiden zonder de klepel te zien hangen blijkt bijvoorbeeld uit de liedaankondiging op een gedrukte liturgie, die een collega-organist van mij ooit aantrof:
Samenzang: “Uw zei de glorie!”  
Ten slotte zijn er verschillen te noemen als het gaat om de volgorde, de keuze van een kist en wel of geen bloemen, maar het lijkt me in dit kader niet zo belangrijk om daar uitgebreid op in te gaan.

Wat rest…

Diezelfde uitvoerigheid wil ik tevens voorkomen bij het behandelen van andersoortige kerkdiensten. Kerken blijken creatief in het bedenken van bijzondere zondagen. Zo zijn er o.a. oecumene-zondagen, Taizé-zondagen, gebedsdiensten, zangdiensten, catechesediensten, generatiediensten en zendingsdiensten. Na enig speurwerk zal ik deze lijst een stuk langer kunnen maken, maar laat ik u daar niet mee vermoeien.

Twee diensten wil ik wel apart noemen, al is het maar omdat bij dergelijke diensten de scheidingen tussen kerkgenootschappen een minder belangrijke rol spelen.

Diensten voor mensen met een verstandelijke handicap

Voor deze doelgroep worden al jaren speciale diensten georganiseerd, al bezoekt niet alleen de doelgroep deze prachtige bijeenkomsten. Wat opvalt in deze diensten is de ruimte voor interactie. Tijdens een eerste bezoek is dat misschien wennen, maar de grote waarde van zo’n actieve kerkdienst wordt snel duidelijk. De ongedwongen en opgewekte sfeer van deze diensten doen een ieder die ze bezoekt goed.

Diensten voor doven en slechthorenden

Tijdens gewone kerkdiensten merk je zelden dat men aanpassingen doet of maatregelen treft voor die gemeenteleden die slecht of niet kunnen horen. Dankzij het interkerkelijke dovenpastoraat worden gemeentes daarin wel begeleid en zijn er speciale dovendiensten. Per zondag zijn er verschillende kerken waar men zo’n aangepaste dienst kan meemaken.

Al met al een volle kerkelijke agenda en ongetwijfeld zag ik nog bijzondere zaken over het hoofd. Het groeiend aantal bijzondere diensten resulteert als vanzelf in een afname van de standaard kerkdiensten. De voor- en nadelen van deze ontwikkeling komen in hoofdstuk 3 ter sprake.

 

1g Sacramenten

De Protestante Kerken (als ik over de Protestante Kerken spreek, beperk ik mij niet tot de kerken die deel uit maken van de PKN. Doe ik dit wel, dan zeg ik dat met nadruk erbij) kennen twee sacramenten. Dat zijn er vijf minder dan de R.K. Kerk waar men er dus zeven kent.

Huwelijksdiensten nemen wel een bijzondere plek in bij de Protestanten, maar het huwelijk is geen sacrament zoals de kerk van Rome dat kent.

De twee sacramenten die stand hielden bij de Protestanten zijn:
 

1.   De Heilige Doop

2.   Het Heilig Avondmaal

 Ad 1: De Heilige Doop

Hoewel Protestanten niet zo happig zijn op het gebruik van het woord ‘heilig’ krijgen de twee sacramenten wel deze precisering.
Wanneer iets heilig is, dan krijgt het een aparte, een bijzondere plaats. De sacramenten nemen die bijzondere plek in. God komt in de sacramenten naderbij. Gods genade wordt zichtbaar in deze bijzondere tekenen. Daarbij zijn ze heilig omdat de instelling van die sacramenten Bijbels gegrond is. Jezus Christus zelf gaf de opdracht om deze sacramenten toe te dienen.

In de Protestante kerken wordt hoofdzakelijk de kinderdoop toegepast. Volwassendoop komt minder voor, dikwijls tijdens diensten waarin Openbare Belijdenis van het Geloof wordt gedaan. Herdoop of het overdopen komt men slechts in kringen tegen van de Evangelische gemeentes, Baptisten, Doopsgezinden en de Pinksterbeweging.
De PKN heeft in november 2009 te kennen gegeven dat er voor het overdopen geen ruimte is.

De discussie over de vraag: Wel of geen kinderdoop is interessant, maar niet relevant in dit kader. Ik beperk mij door te zeggen, dat de Protestante Kerken de voorkeur uitspreken voor de doop van jonge kinderen. De doop wordt als teken en zegel gezien van Gods verbond met de mens. De bekrachtiging van dit verbond zo vroeg mogelijk te laten plaatsvinden in het leven van een mens, vinden de Protestante Kerken een groot goed. In de Vroege Kerk dacht men daar anders over. Toen werd de doop zo lang mogelijk uitgesteld. Des te meer zonden konden worden afgewast of de kans werd kleiner dat je jouw doop ten schande maakte door het doen van zonden. Niet zelden liet men zich op zijn sterfbed dopen. Verder ziet men, Bijbels gezien, dat de kinderdoop als vervanger van de besnijdenis gezien kan worden, die na acht dagen plaatsvond. De Bijbel spreekt tevens van de doop van gehele gezinnen, dikwijls inclusief personeel, dus met de kinderen erbij.

Dat het overdopen wordt afgewezen wordt gebaseerd op het principe dat het bekrachtigen van Gods verbond niet opnieuw kan en hoeft plaats te vinden. De Protestante Kerken zien de Heilige Doop niet zozeer als een persoonlijke keuze van mensen, maar ten eerste en vooral als een genadig handelen van God.

Doopdiensten komen frequent voor. Vijf of meer doopdiensten per kalenderjaar zijn geen uitzondering.
In Nederland vinden deze bijzondere diensten op zondag plaats. In het buitenland zie je dat de doopplechtigheid nog wel eens op zaterdag plaatsvindt. De familie komt voor een kort moment samen in de kerk zonder de aanwezige kerkelijke gemeente. Ik maakte dat een keer mee in Duitsland en vond dat nogal kaal en zakelijk. In Parijs maakte ik een doopdienst mee waarin zo’n 25 kinderen gedoopt werden. De ouders stonden in een halve cirkel voorin de kerk. De priester snelde langs de 25 kinderen die in no time het sacrament toegediend kregen. Het blijft een zegen dat dit sacrament in onze kerken de aandacht krijgt die het verdient en dat de eigen gemeente getuige mag en kan zijn van dit unieke moment in het leven van dopelingen.

Binnen de protestante Kerken wordt verschillend gedacht over de vraag: Mag ik altijd mijn kind laten dopen?

In de Nederlands Hervormde Kerk werd en wordt dopen zelden geweigerd. Er worden geen al te hoge voorwaarden geschept aan de ouder(s) die het kind wil(len) laten dopen. Het kan dus voorkomen dat de ouder en de dopeling alleen tijdens een doopdienst de kerk van binnen zien.
‘Men doopt om opa en/of oma te plezieren’  klinkt onaangenaam, maar is vaak een feit. Als ‘volkskerk’ bood en biedt de Nederlands Hervormde Kerk die ruimte. Andere kerkgenootschappen staan hier anders in. Men wil dat de ouders of verzorgers die het kind ten doop houden minimaal dooplid of belijdend lid zijn.

Ouders en/of verzorgers worden wel uitgenodigd voor een zgn. ‘doopzitting’ of men volgt zgn. ‘doopcatechese’. Tijdens een bijeenkomst met kerkenraadsleden wordt het verzoek om tot dopen over te gaan besproken. Er wordt gevraagd naar persoonlijke beweegredenen. Dergelijke vragen kunnen ook aan bod komen tijdens een gesprek met een wijkouderling en/of de eigen predikant. Volgens het kerkrecht zijn er wel mogelijkheden om het doopconsent (= [schriftelijke] goedkeuring van de aanvraag om tot dopen over te gaan) te weigeren, maar of dit wel eens voorkomt , al dan niet n.a.v. de hierboven genoemde gesprekken, is mij niet bekend.

Tijdens de kerkdienst worden doorgaans drie ‘doopvragen’ aan de ouders gesteld. Daarin wordt kortweg gevraagd of:

-      De ouders willen dat het kind wordt gedoopt

-      Men de leer over de heilige Doop van desbetreffende gemeente onderschrijft

-      De ouders de kinderen een ‘Bijbelse’ opvoeding willen geven.

De vragen worden door de ouders afzonderlijk beantwoord. In vroeger tijden deden ouders dat samen tegelijkertijd. Een van de ouders kon dan a.h.w. onder het eigen ja-antwoord uit door dat aan de ander over te laten. Nu worden de vragen aan de moeder en de vader gesteld. Indien één van de ouders deze vragen niet kan/mag beantwoorden, dan worden andere vragen gesteld waarin om ondersteuning van de andere ouder wordt gevraagd. Deze beantwoording van de vragen wordt ook als een soort belijdenis gezien. Mocht een ongedoopt lid dus Belijdenis van het Geloof willen doen, dan volgt de doop eveneens na het jawoord, maar dan van de dopeling zelf. De vragen maken deel uit van een Formulier tot bediening van de Heilige Doop. Er zijn verschillende versies in omloop. Er zijn tevens gemeentes waarin men een eigen, meestal eigentijds, Formulier gebruikt.

De voorganger doopt het kind in de Naam van Vader, Zoon en Heilige Geest. Sommige predikanten doen dit door één keer een beetje water te gebruiken, anderen besprenkelen het kind driemaal.

I.t.t. het Heilig Avondmaal wordt de Heilige Doop toegediend vóór de verkondiging van het Woord. Ik vermoed dat die keuze een puur praktische is en geen theologische grond heeft.

De kinderen worden door verwanten binnengebracht, meestal vlak voor de beantwoording van de vragen. Bij binnenkomst wordt een lied gezongen. Na het uitspreken van de zegen of het dankgebed uit het Formulier verlaten de dopelingen de kerk weer. Er zijn kerken/gemeentes waar de kinderen in de kerk worden uitgenodigd om het gebeuren van nabij mee te maken. Soms leveren die kinderen zelf een bijdrage aan de dienst. Vanwege de vele gasten in de kerk tijdens zo’n dienst besluit een kerkenraad regelmatig om deze diensten een ‘laagdrempelig’ karakter te geven, zodat rand- en onkerkelijke bezoekers wellicht iets meer meekrijgen van de boodschap.
Na afloop krijgt de gemeente de gelegenheid de doopouders de hand te drukken.

Veel kerken regelen ook ‘nazorg’ door de ouders uit te nodigen voor een kring of voor doopcatechese. De dopelingen worden officieel ingeschreven in een doopregister en krijgen een doopbewijs of doopkaart.
 

Ad 2  Het Heilig Avondmaal

Wanneer en voor wie?

Na de Reformatie ontstond de discussie met welke frequentie het Heilig Avondmaal gevierd zou moeten worden. Calvijn was een voorstander van de wekelijkse, misschien zelfs dagelijkse, viering zoals de R.K. kerk dat nu nog kent.

In veel kerken wordt ieder kwartaal het Avondmaal gevierd. Dit werd in het Geneve van Calvijn in de zestiende eeuw bepaald. De Synode van Dordrecht stelde wel voor om dit zes keer per jaar te doen, maar dit werd al snel vier keer per jaar. In de Stille Week of tijdens andere bijzondere momenten worden wel extra Avondmaalsvieringen gehouden.

De viering van het Heilig Avondmaal vindt plaats tijdens een zondagse dienst. Als een (wijk)gemeente te groot is, wordt soms één of worden meerdere extra vieringen op een zondag gehouden.

In de week voor de viering wordt door veel kerken extra aandacht besteed aan de komende viering:

a.   Voorbereiding de zondag ervoor

De zondag voor de viering wordt een voorbereidende kerkdienst gehouden. Indien men het oude en langere Formulier gebruikt,
wordt het eerste deel die zondag al voorgelezen.
 

b.   Voorbereidende gemeenteavond

Tijdens een gemeenteavond wordt aandacht besteed aan het Heilig Avondmaal.
 

c.   Censura Morum

In enkele kerken kent men nog het ‘Censura Morum’. Tijdens een kort samenzijn met enkele leden van de kerkenraad kunnen gemeenteleden bezwaar maken tegen iemand die voornemens is deel te nemen aan de tafel van de Heer. Deze vorm van censuur wordt zelden toegepast.

In de meeste gevallen worden alleen belijdende leden van de gemeente aan de tafel genodigd. Een duidelijke controle daarop is er tijdens de kerkdienst niet. In principe is de toegang tot het Avondmaal dus voor velen mogelijk. In de R.K. is dat ook zo, al mogen daar slechts leden van de eigen kerk aan de eucharistie deelnemen.

In enkele kerken mogen kinderen deelnemen aan de viering, of ze worden extra bij de dienst betrokken. Soms ontvangen de kinderen een zegen voor de viering. In steeds meer kerken verlaten de kinderen voor de viering al de kerk om aan de nevendienst of kinderkerk deel te nemen.

De vraag Voor wie? is vooral een persoonlijke vraag die door de een als vanzelfsprekend met ‘Ja’ wordt beantwoord, maar die de ander een hoop kopzorgen en twijfel kan geven. De tekst uit 1 Kor 11: Wie op onwaardige wijze eet en drinkt, eet en drinkt zichzelf een oordeel, heeft bij velen het gevoel gegeven dat die woorden wel eens werkelijkheid zouden kunnen worden als zij zouden aangaan.

Zodoende zijn er gemeentes waar slechts weinigen de viering actief meemaken. In mijn woonplaats is een gemeente waar lange tijd slechts de predikant met zijn enige ouderling aanging. Steeds vaker zie je dat zij, die de kerkdienst bezoeken, ook aan het Avondmaal deelnemen. De kerk is dan duidelijk minder bezet.

Hoe?

In mijn jeugd duurde een dergelijke dienst lang. Mijn ouders zaten graag vroeg in de kerk, zeker bij zo’n dienst, want dan had je óf je eigen stek óf een gunstige plek om zonder al te veel hindernissen bij de tafels te komen. In onze kerk stonden tafels voorin de kerk. Voordat iedereen het Avondmaal had gevierd, waren we wel eens zeven tafels verder. Als kind zat je dan van 9 uur tot over half twaalf in de kerk. Dit ervoer ik als een lijdensweg. Om de tijd te doden legde ik zeven snoepjes in het richeltje voor me en nam bij iedere tafel een snoepje. De kunst was ‘m precies op tijd op te hebben voor de volgende tafel.

In veel kerken is deze wijze van vieren nog steeds de gangbare. Gemeenteleden stappen uit de kerkbanken en zoeken een plek aan tafel. Men kiest voor deze vorm omdat men waarde hecht aan de viering aan tafel, zoals Jezus Christus dit met zijn discipelen deed.

Praktisch levert dit systeem wel wat problemen op. Inderdaad duren dergelijke diensten lang, zeker als er weinig ruimte aan de tafels is en veel mensen aangaan. Het gebeurt ook regelmatig dat je bij aankomst een volle tafel treft en terug moet, of in een bank moet wachten op de volgende tafel. Waarom weet ik niet, maar er zijn mensen die per se aan één bepaalde tafel willen aangaan. Dit levert in kerken nog wel eens een hoop getrek en geduw op, wanneer men op weg is naar een plaatsje.

In Genemuiden maakte ik het jaren geleden het omgekeerde mee. Men nam nogal de tijd om naar de centraal opgestelde tafels te gaan. Het duurde vele minuten eer de tafels vol waren. Soms zag je ineens weer een oude man opstaan die met gebogen hoofd en, zo leek het, met vermorzeld hart een plekje aan tafel zocht. Ook kan men het treffen als enige over te blijven voor de laatste tafel. Helemaal op je gemak zit je dan niet meer. Men voorkomt dit de laatste jaren door de kerkenraad te laten aangaan aan deze laatste tafel. Bij terugkeer in de kerkbank stuit(te) men nog wel eens op kerkgangers die met een (staand) gebed persoonlijk willen danken voor Gods genade. Dit veroorzaakt(e) onnodige opstoppingen. Om dit euvel te voorkomen werd besloten om voor de eerste tafel een moment van stilte in te lassen waarin een ieder zijn of haar persoonlijke (dank)gebed tegelijkertijd kan uitspreken.

Eenmaal aan tafel spreekt de predikant de instellingswoorden van Christus, wordt een stuk brood gebroken en rondgedeeld. Daarna volgt de wijn, of – die keuze wordt soms bewust gemaakt – druivensap. Een grote kelk wordt doorgegeven. Toen in 2010 Nederland getroffen werd door een niet ongevaarlijke griepgolf besloten de nodige gemeentes tot het gebruik van kleine bekertjes over te gaan. Elders werden matses in de wijn gedoopt en rondgedeeld. Predikanten vieren bij de eerste tafel mee, maar ik maakte ook dominees mee die met alle tafels meevierden. Een van mijn eigen predikanten repeteerde bij iedere tafel als een soort gebed: “Het brood dat wij breken is het lichaam van Christus.” Hij bleef dit zeggen totdat alles weer in gereedheid was gebracht door de kerkenraadsleden. Ik moest bij deze litanie – ik weet, het is een beetje stout – altijd denken aan de stem op de radio die ik in mijn jeugd ’s morgens vroeg tot de klok van zeven uur hoorde herhalen: “Hilversum één. Hilversum één.”

Aan de tafel wordt een gedeelte uit de Bijbel gelezen en wordt, samen met de gemeente in de kerkbanken, een lied gezongen. Bij het gaan naar en weggaan bij de tafels wordt dikwijls gemusiceerd. Soms klinkt er muziek tijdens de viering.

Bij iedere tafel wordt de gemeente genodigd. De ene predikant neemt daarvoor de tijd, de ander beperkt zich tot: “Komt dan nu, want alles is gereed.” Ook hoort men wel “Zie, de Meester is daar en Hij roept ook u.” Bij de laatste tafel krijgt de uitnodiging extra nadruk. Nog eén keer worden de gemeenteleden die aarzelen opgeroepen om aan te gaan. In mijn oppassend leven maakte ik het in mijn eigen gemeente maar één keer mee dat iemand alsnog opstond en naar voren liep en dat is nog niet eens zo lang geleden. In het geval van mijn hierboven genoemde ervaring in Genemuiden duurde het wederom vele minuten voordat de laatste twijfelaar was aangegaan en de viering kon worden voortgezet.

Op de tafels vindt men naast de schalen met brood en de kelken met wijn dikwijls lied/psalmboeken en een schaal of potje waarin men de Avondmaalscollecte kwijt kan. Het Heilig Avondmaal heeft een diaconaal karakter. Dit wordt in veel kerken nogal onderbelicht. Die collecte er dus niet ter bestrijding van de gemaakte kosten, maar voor een diaconaal project, het liefst buiten de eigen gemeente. Er is nog wel eens een etiquettestrijd over de vraag wanneer men die offergave af mag staan: voor of na de viering.

De voorwerpen die tijdens het Heilig Avondmaal worden gebruikt werden wel met Avondmaalsgereedschap aangeduid. Dit klinkt wat lomp en zo ziet het er dan ook niet uit, want kerken gebruiken graag fraaie en  kostbare materialen. Abraham Kuyper vond zilver het best omdat het in overeenstemming was met de Koninklijke waardigheid van de Verlosser.

Het klaarzetten en afbreken van de avondmaalsopstelling betekent voor de koster een flinke klus. Hij wordt – als het goed is – geholpen door anderen uit de kerk. Soms heeft de koster de pech dat de avond voor de viering de kerk(zaal) nog gebruikt wordt voor andere doeleinden, zoals voor bijvoorbeeld een concert. Dan moet alles ’s avonds laat of ’s morgens heel vroeg nog worden neergezet. In grote wijkgemeentes heeft de eigen predikant soms de ‘pech’ dat er twee ochtenddiensten met een viering zijn. Er worden dan heel wat uren door de herder en leraar gemaakt, zeker wanneer hem of haar ook nog een avonddienst wacht.

Juist vanwege de praktische nadelen van deze manier van Avondmaal vieren, kozen kerken en gemeentes voor een andere aanpak. Soms vieren gemeentes het Avondmaal ‘s morgens anders dan ’s avonds zodat gemeenteleden kunnen kiezen welke wijze hun voorkeur heeft.

Het kan zijn dat gemeenteleden in etappes zich voorin de kerk (in een kring) opstellen en daar brood en wijn krijgen aangereikt. Het lijkt veel op de wijze van vieren die men in de Rooms Katholieke Kerk kent, al krijgt men daar alleen ouwel aangereikt en gaat men na ontvangst van de ouwel direct weer terug naar zijn of haar zitplaats. In de Protestante Kerken wordt juist nadruk gelegd op het gemeenschappelijke van het Avondmaal vieren. Soms krijgt de opgestelde groep mensen gezamenlijk de zegen.

Om het organisatorisch goed te laten verlopen,  gaat men in grotere gemeentes rij voor rij naar voren. Sommigen hebben moeite met deze aanpak. Men heeft het idee dat anderen bepalen wanneer je tot de viering wilt overgaan, of dat je kans verkeken is wanneer jouw rij aan de beurt is geweest.  

Gemeenteleden reiken voorin elkaar wel de hand om het zojuist genoemde gemeenschappelijke element van de viering kracht bij te zetten. Aan tafels ziet men dat ook frequenter gebeuren.
Ook bij deze wijze van vieren worden tussendoor liederen gezongen, wordt er gemusiceerd en wordt er gelezen uit de Bijbel. Zoals in de Rooms Katholieke mis krijgen het ‘Sanctus’, het ‘Sursum Corda’ en het ‘Agnus Dei’ in woord en/of muziek een aparte en nadrukkelijke plaats. 

Andere gemeentes reserveren voor het begin van de kerkdienst een deel van de kerk voor die kerkgangers die tijdens de dienst aan het Heilig Avondmaal willen meedoen. Bij deze wijze van vieren heeft het gemeentelid al voor de kerkdienst besloten het sacrament toegediend te krijgen.
Het kan zijn dat deze gemeenteleden niet van hun plaats komen, maar dat brood en wijn worden doorgegeven. In ziekenhuizen kent men deze wijze van vieren ook.

Een bijzondere manier van Avondmaalsviering is de viering thuis. Na afloop van de kerkdienst bezoeken predikant en/of kerkenraadsleden o.a. ernstig zieken of gehandicapten thuis, zodat ook zij aan het Heilig Avondmaal kunnen deelnemen.

Over een bijzonder Heilig Avondmaal gesproken: Buzz of Edwin Aldrin was de tweede man op de maan. Hij was het die het Heilig Avondmaal op de maan heeft gevierd.

Tijdens de avonddienst volgt een voortzetting van en/of de dankzegging voor het Heilig Avondmaal.
Zij die niet in de gelegenheid waren om ’s morgens het Avondmaal te vieren, krijgen tijdens die dienst nog een mogelijkheid.
In gebeden, woorden (uit het Formulier), liederen, muziek en de prediking wordt dankbaar herdacht hoe Jezus Christus zijn grote genadegave aan ons mensen heeft willen schenken.

Zoals de twee van Emmaüs mochten de gemeenteleden dankzij het breken van het brood zien: Hij is bij ons, Hij is voor ons, Hij is met ons, Hij is in ons!

Wordt vervolgd...